Etymologie

O
Orde:
oord; Ort: plaats, plek. In ’t Welzijns: plekje.
Ordenen, in/op orde brengen: dingen een plaats (plekje) geven.
Ordner: map om dingen een plekje in te geven.
‘Orde!’: ‘Op uw plaatsen.’ ‘Ken uw plaats!’
Verordening: Het geven van een wettelijke status (plaats) aan een zoveelste, onzinnige, maatregel.
Pikorde: Vooral bij mannen. Bepaald door de plaats waar het geslacht zich bevindt. Zit dit in hun hersenen dan zijn ze haantje de voorste.
Ordebewaarder: Persoon die beroepshalve, ’s-nachts in zijn bedje, elk van de 3.000 hooligans een plekje geeft.

‘Het is in orde.’ (Na het ‘dank u’, bij het geven van een bescheiden fooi): ‘Het is bij u op de goede plek.’ Lief.
Variant: ‘Laat maar zitten.’ Het afwijzen van wisselgeld. Zeer onbeleefd; zeg dit nooit buiten ons onbeschofte taalgebied.

Orde der Jezuïeten: plek waar zij vooral moeten blijven.
Orde van Oranje-Nassau: (staan)plaats voor verdienstelijke mensen. Mogen verder niet zeuren.

Advertenties