Karretje

Elke zichzelf respecterende Jongen had een karretje. Zelfgemaakt. Soms met hulp van vader of buurman. Nee, geen zeepkist, die was dicht, opschepperig, Amerikaans.
‘Middelen’ had je er niet voor nodig. Die waren er ook niet. Materiaal moest je hebben. Dat vond je gewoon op straat, op een bouwplaats, bij het grofvuil of in de haven. Je moest er soms voor op de vuist met concurrenten.

Wielen waren natuurlijk het allerbelangrijkst. En dus het meest zeldzaam. De beste waren die van een oude kinderwagen of wandelwagentje. Bij gebrek aan beter kon je genoegen nemen met grote kogellagers. Die maakten een kloteherrie, zodat je er zeker van kon zijn dat de meisjes je opmerkten. Dus eigenlijk wel stoer. Soms als je hard de brug afsjeesde sloegen de vonken eraf.
Vervolgens 3 planken. Eén stevige, beetje brede, lange plank. Ongeveer van de grond tot je borst. Hij mocht niet doorveren. De twee andere planken werden de assen.
En dan ook nog liefst iets breeds om op te zitten. Het deurtje van een keukenkastje was prima.
Had je wandelwagenwielen dan bevestigde je ze met de as onder de korte planken. Bij een ervan iets uit het midden, dat werd de stuur-as. Vastmaken met spijkers tegen de as aan in de plank en daarna om de as heen kromgeslagen. Beter waren beugeltjes waarmee leidingbuizen aan de muur bevestigd werden.
Bij kogellagers zaagde je de vier hoeken uit de planken zodat aan de uiteinden een stompje overbleef waar ongeveer de lager omheen kon. Zonodig met een baksteen wat bijgevijld. Dan omwikkeld met een reepje oude fietsband tot de lager niet meer paste. Met dezelfde baksteen ramde je vervolgens de lagers op hun plaats. Bleef gegarandeerd zes weken zitten, net genoeg voor de Grote Vakantie.
De achteras werd stevig onder de lange plank getimmerd. De lange plank mocht niet te ver uitsteken, vanwege de duwers, waarover straks. De vooras moest kunnen sturen, dus 1 spijker of schroef precies in het midden. Maar een echte bout, met sluitringen (ook een tussen de twee planken) en een extra moer om te borgen was het beste. Hierbij moest de lange plank van voren goed uitsteken: je bumper.
Tenslotte het keukendeurtje. Ook weer achteraan gelijk met de lange plank, dus niet uitstekend. Eventueel stukken uit beide zijkanten gezaagd voor de wielen.
De aandrijving kon op drie manieren.
– Alleen. Je knielde met één been op je karretje en zette je met je andere af tegen de straat. Een teugel diende om te sturen. Touw of snoer, aan beide uiteinden van de vooras vastgemaakt. Het was tegelijk je houvast.
– Samen met een vriendje. Als het jouw karretje was stuurde jij. Je stuurde met je voeten die aan weerszijden tegen de stuurplank stonden. Je remde met je hakken tegen de straat. De ander duwde je bij je schouders. Lopend, of steppend met één voet achter je op het karretje. Hij kon je behendigheid testen door je vlak bij een obstakel een enorme zet te geven. Of hij zat achter je, achterstevoren met zijn rug tegen de jouwe, en zette het karretje als het ware achteruitlopend in beweging. Het moest niet te snel gaan, anders hield de duwer zichzelf niet bij en belandde met zijn kont op de straat. Dit kon je als bestuurder ook forceren met een onverwachte ruk aan het stuur.
– Of meisjes. Die waren verbazend genoeg vaak bereid te duwen. Ze renden ook harder. Vooral met het vooruitzicht dat zij daarna ook even mochten sturen. Een karretje was niet ‘iets voor meisjes’, dus deze kans grepen ze. Meisjes duwden nooit zittend, want dan kon je hun broekje zien.

Harderr!

Stoepen op en af met je karretje was funest voor de constructie. In principe reed je op de rijweg. Dat kón ook. Als er per week vier auto’s door de straat reden was het veel. De hoofdstraat van de buurt was geasfalteerd, met halverwege een brug. Ideaal voor wedstrijden, vooral in de bouwvakvakantie, georganiseerd door vaders of oudere broers. Slalommen om verspreid opgestelde vuilnisbakken, maar meestal gewoon races. Per categorie: leeftijd, soort wielen enz.
De 1e, 2e en 3e prijzen waren gelijk: een degelijke onderhoudsbeurt. Spijkers werden op zwakke maar essentiele plaatsen vervangen door schroeven, splinterend hout afgeschaafd, lagers, wielen en stuurbout gesmeerd.
Eénmaal was er een echte beker als prijs. Door de groentenbooer vervaardigd uit een groot augurkenblik. Zijn zoon won hem. Wij gingen dus maar over tot de orde van de dag.

Advertenties