Sapappels

Monpazier, Frankrijk. Het is al weken dertig graden
in de 
schaduw. Zelfs de fransen zijn bruin. Op het intieme centrale plein zitten we op het terras van Hôtel de Londres, op dit uur het domein van de toeristen.
Een nieuw groepje komt aan. Dertigers, jonge kinderen. Zonnebankbruin vlekkerig geworden door de woede van de echte zon. Neergetrokken mondhoeken. De mannen (boys) noemen de vrouwen schâh. Kids in driewielige buggies van het soort waarmee je de Himalaya kunt doen. Als het zaakje eindelijk aan een goed tafeltje en de driewielers op de juiste manier in de weg zitten komt madame opnemen.
– Messieurs-’dames?
– Euh… bierre, deuw bierre.
– Pression ou en bouteille?
– Jezus, tap, tep, eh…
– d’Accord, monsieur, á la pression.
En over haar schouder, richting de donkere grot van de zaal: ‘Deux pressions, deux!’ en tot de dames: ‘et mesdames?’ De man weer (‘tap’ werkte ook): ‘Appelsap’.
– Pardon?
– Oh my God. Bianc’ wat was appelsap ook weer?
Bianca trekt aan het schort van madame en bijt haar toe: ‘Pom-mes-de-jus!’
Madame wervelt om haar as en beent naar de zaal, mompelend maar wel steeds luider: ‘Pommes-de-jus! Pommes-de-jus! Deux Pommes-de-jus, deux!’ en van diep achter uit de zaal maar voor het hele terras hoorbaar: ‘Pommes-de-juuus, Nom-de-Djuuuu!!!’

’s Avonds, in het resaurant, wilde Bianc’ Châpeau-Briant.

Advertenties