Pindakaas

In onze lagere-schooltijd, begin jaren ’60. Tussen-de-middag thuis eten. Het liefst witbrood. Met, als het even meezat, pindakaas. En het was pas echt goed als over de pindakaas een laagje suiker lag. Het was een begrip: ‘Wat wil je op brood?’ ‘Pindakaas-met-suiker.’

Bij ons was ‘pindakaas’ dus altijd ‘pindakaas-met-suiker’.
Dit bleek toen een vriendje van mijn broertje, Pietje, regelmatig bij ons at wanneer zijn moeder een werkhuis had. Pietje was zo verzot op pindakaas dat hij rood aanliep van de voorpret zodra de pindakaaspot op tafel werd gezet.
Pietje Pindakaas vond suiker over de pindakaas echter maar niks. Vroeg je hem, geheel overbodig, wat hij op zijn brood wilde, zei hij steevast:
‘Pindakaas-met-zonder-suiker.’

Behalve dit ‘met-zonder’ had Pietje nog een verrassing.
Soms hadden we ook krentenbrood. Dat was een luxe in onze buurt en mijn moeder kon dan trots vragen: ‘Wat wil je eten?’. Die keuze hadden we doorgaans niet. Ze vroeg dit ook aan Pietje. Hij wees naar het krentenbrood en zei aarzelend: ‘Dát daar. Dat brood-met-vieze-neuzen.’ Pietje had misschien nog nooit krentenbrood gegeten. (Het zegt ook iets over de volksgezondheid in een achterbuurt.)
Dezelfde variant bleek hij ook te gebruiken voor Leidse- of komijnenkaas.

Advertenties