Madeliefjes

Onze benedenburen hebben een geveltuintje. Nou ja, -tje… Een weelderige massa groen en bloemen, een paar imposante rozenstruiken, vijgenbomen, klimop over de hele breedte van het perceel en reikend tot de dakgoot. Ertegenover, langs de stoeprand, een lange rij grote potten en bakken, al even rijk beplant. De Oase van de Van Heemskerckstraat. Ze overleefde de recente Renovatie/Herindeling. De tientonners, graafmachines, steenhopen, plankiers, de leidingenleggers en stratenmakers. Hiervoor hadden zelfs zíj te veel respect.

Drie verdiepingen erboven hang ik tussen het gebladerte uit het raam. Genietend van het zonnetje, de geuren en mijn eerste sigaret. Bak koffie binnen handbereik.
Maar ja. Wat ik al een tijdje heb proberen te negeren kondigt zich nu onontkoom-
baar aan met naderend geloei en harde knallen van een overspannen dieselmotor. Bladblazers! Welke idioot heeft dit bedacht? Ons doortastend gemeentebestuur. Een mug te lijf gaan met een Stalin-orgel uit WO-2.
Mét het lawaai verschijnen twee mannen om de hoek. Eerst een gezette figuur, met een schoffel, driftig hakkend en schrapend tussen tegels en in groeven. Achter hem een dreigende hoge muur van opwervelend stof, zand, zwerfvuil, fietswrakken, een haringkar en hier en daar wat plukjes groen. Tot boven de daken. Daaruit doemt zijn collega met de blazer op. De zijkanten van zijn hoofd verborgen in twee enorme, zwart-glanzende oorbeschermers. Net de kop van een strontvlieg. Ai, ai, Oase!

Bij nadering van het tuintje vertraagt de Schoffelaar zijn pas en kijkt om zich heen. Neemt een besluit. Maakt een dringend stopgebaar naar de Blazer achter hem. Het apparaat gaat op stationair. Schoffelaar loopt bewonderend langs al het groen, tot zijn aandacht wordt getroffen door iets achter de potten. Hij loopt om de rij heen, blijft op een punt in de goot staan en wenkt zijn collega. Nu zie ik het ook: in de groef tussen de stenen en de stoeprand groeien een paar madeliefjes tussen het onkuid. Er volgt een discussie. Schoffelaar kapt het af. Hij wijst bevelend met zijn duim over zijn schouder naar een inmiddels verschenen derde collega, in een pick-upje waarop een paar bezems liggen. Het kanon wordt uitgezet, de oordoppen gaan af, Schoffelaar trekt zijn werkhandschoenen uit.
Op zijn knieën trekt hij het onkruid rondom de madeliefjes met zijn blote handen weg. Als hij klaar is hijst hij zich, zijn broek afkloppend, overeind.
En voelt mijn ogen in zijn nek. Hij kijkt betrapt omhoog. Ja ik heb het allemaal gezien. Blazer ziet mij ook. Die lacht breed, spreidt schouderophalend zijn armen en roept blij: ‘Klein Leben auch Gott!’ Ik dank ze met beide duimen omhoog.

Schoffelaar werkt de rest van de Oase af en blazer loopt, voorzichtig, te bezemen. Pas op de kade aan het eind van de straat begint het geweld weer in volle hevigheid. Stof en straatvuil waaien de openstaande ramen van het politiebureau binnen. Dit wordt een mooie dag.

Advertenties