Het Solsche Gat

Dit verhaal speelt in de jaren ’50. In de ‘grote vakantie’. Plaats van handeling: het Speulder en Sprielder Bos, bij Ermelo. In dat bos een klein kampeerterrein, het woord camping bestond nog niet. Verweerde linnen tenten, slapen op stro, koken op een ‘Primus’. Geen stromend water, geen gas, geen elektra, een houten plee in het bos. Een kleine speeltuin, een zandbak en verder onze eigen fantasie. Hoofdpersonen: jonge stadskinderen uit Amster- damse arbeidersbuurten en hun moeders. Vaders alleen op zaterdagavond en zondag want die werkten in de stad.

Het Solse Gat

We kwamen er meestal als vanzelf terecht, op zo’n achter-onze-neuzen-aan strooptocht door de bossen. Stond je ineens bovenaan de rand van een gigantisch diep, schemerig gat, midden in het bos. Steil glooiende hellingen begroeid met dikke, oeroude beuken. Helemaal beneden lag een poeltje in de zon te glimmen. Vol kroos en omzoomd met riet, fakkels, lissen. Aan één kant eindigde het in een groen moeras dat niet geheel ongevaarlijk was. Het poeltje zat vol kikkers. We vingen soms kikkervisjes, met een schepnet van een oude nylonkous. Boven het moeras zwierven libellen in alle kleuren. Daar was ik als de dood voor. Het rook er naar rottende bladeren en een beetje naar riool. Alleen boven dit poeltje kon je de hemel zien.
We werden er meestal stil en praatten fluisterend. We luisterden naar de kikkers. Poerden met takken in de modder om de gasbellen te zien opborrelen.
En natuurlijk: wie het verst het moeras in durfde. Regelmatig moest één van ons terug naar huis met achterlating van een klomp of laars, een stevige uitbrander tegemoet. Of schuilhokkie. Als je dan zo verspreid van elkaar verstopt stond waande je je alleen op de wereld. Het zachte aftellen door degene die ‘hem was’ veroorzaakte korte, gedempte echo’s. Beetje spookachtig was het er, zelfs op klaarlichte dag.
We renden van de hellingen naar beneden. Van boom tot boom. Je kon niet in één run naar beneden. Al gauw had je zo’n vaart dat je benen je niet bijhielden. De bodem zat ook vol verraderlijke obsakels. Boomwortels, stronken, instortingen. Handiger was het om gewoon op je kont over de zwarte aarde naar beneden te glijden.
Eenmaal deed iemand het op de autoped. Het werd bijna een ramp. Met een gruwelijke kreet wist hij nog net op tijd van die step te springen. Hij belandde met zijn gezicht in de modder, de step in de poel. En wij maar met takken harken en vissen om die step naar de kant te krijgen.
Onderweg terug naar de tent hebben we hem lachend, maar niet erg zachtzinnig, de kleren shoongeklopt. Met regenwater uit een badkuip aan de rand van een wei kregen we zijn gezicht schoon. Onze moeders hadden niet graag dat we op eigen houtje naar het Solsche Gat gingen. Waarom niet? ‘Dáárom niet, punt uit!’

In het Solsche Gat hebben we ook voor ’t eerst ‘Toeristen’ gezien. Onzichtbaar boven de rand van de kuil klonk ver motorgeronk en dichtslaande portieren. Schelle stemmen van vreemde kinderen met nieuwe schoenen. Niet ‘van hier’. Wij, zand en aarde tot achter onze oren, op onze klompen, ervoeren ze als storend, indringers (jaja, xenofobie is van alle tijden.). Het waren eigenlijk wel zielige kinderen ook: zij mochten niet op hun kont de helling af, mochten niet in de bomen klimmen. Schreeuwen mochten ze duidelijk wel. Later vertelde mijn moeder dat toeristen zich onbehaaglijk voelen in de natuur en dan maar lawaaierig doen. Voor een romantisch en naïef jongetje als ik was het een ontluisterende ervaring. Het Solsche Gat was in mijn ogen ons Geheim Van Het Beukenbos en iemand had dat geheim aan vreemden verteld!

De plek heeft altijd een diepe indruk op mij gemaakt. Ik had het gevoel dat hij leefde. Dat er iets woonde. Iets met een geheim. Over het ontstaan van het Solsche Gat deden dan ook diverse verhalen de ronde. Volgens de, min of meer officiële, legende stond op de plek van het Solsche Gat eens een klooster. De Frankische koning Clovis bekeerde zich tot het Christendom en verwachtte van zijn onderdanen dat zij hetzelfde deden. Maar de monniken van het klooster verkochten hun ziel aan de duivel, waarna het klooster met alles erop en eraan de bodem inzakte. ’s-Nachts kun je, diep onder het moeras, de ijle kloosterklokjes horen luiden.

In latere vakanties werden er op midzomernacht verhalen en legenden verteld. Op de zwarte hellingen zat dan publiek, aan de kop van de poel een verteller. Boven langs de rand liepen lieden verkleed als monniken zacht te zingen. Iedereen droeg fakkels. Toen ik ouder werd en ook mee mocht vroeg ik mij af waar al die mensen toch vandaan kwamen.
Van de ANWB, leerde ik later. Het werd een plek waar ik niet meer wil zijn. ‘Wereld-erfgoed’. Een felle stip op de toeristische Veluwe-route. Voor het hele gezin, tevens geschikt voor naaldhakken. Arme kloosterklokjes, arme kikkers.

Maar ga er tóch maar heen. Hurk neer, beneden, bij de kop van de poel. Je zit nu tegenover de hoogste en steilste helling. Het moet dichtbewolkt zijn. Een uur of zeven, halfacht ’s-avonds. Na de spits. Doe je ogen halfdicht…
En kijk, luister, naar Het Solsche Gat.

Lees meer (op Wiki) over de boeiende geschiedenis, sagen en legenden van het Solse Gat.
_

Advertenties