Boomheks

Boomheks

Ergens in het bos aan het eind van een paadje heuvelop, aan een driesprong, stond ze. Tussen een rij bomen op de hoge wal aan het pad langs de bosrand. Onze Boomheks. Zo zijn we haar gaan noemen.
We ontdekten haar ooit, laat op een middag, tegen de laagstaande zon in. Je zag alleen haar silhouet. Hoge punthoed, verwarde bos haar eronder. Een hand onheilspellend omhooggestoken, de andere of ze haar hoed vasthield. Voor de Toverwind, wist ik, want het was een hete, windstille dag geweest. Van haar lijf en armen hingen slordige rafels bijna tot op de grond. Met haar houding leek ze je te willen waarschuwen: ‘Kom niet verder! Ga terug! Het is hier niet pluis!’
We fantaseerden over wat ze kon bedoelen, waaróm het daar niet pluis was. Tot we er zelf bang van werden. We móesten echter wel langs haar heen, vlak aan haar voeten rechtsaf het andere pad in. Of met een boog dwars door het bos. Dat ging met onze nekharen rechtop en pas ademhalen als we er goed en wel voorbij waren. En steels omkijkend of ze niet iets uitspookte achter onze rug.
Het was zo’n plek waar je toevallig soms terecht kwam. Stadskinderen in de wilde natuur: ‘Volgens mij kunnen we ook zó terug.’ Niemand wist eigenlijk precies waar het was. Wel dat we op de terugweg waren, want we herkenden de Brandtoren achter de camping die verweg boven de boomtoppen uitstak. Over een kwartiertje zouden we de tenten zien. Op een keer kwam er iemand op het idee om takjes en steentjes als wegwijzers langs het pad te leggen. Zo konden we onze nieuwsgierig geworden ouders meetronen naar onze heks.
Daar stond ze, nu in het volle ochtendlicht. Een verkeerde tijd. Ze bleek het rechtop uit de aarde stekende wortelstelsel van een omgewaaide den. Overwoekerd door inmiddels ook al dode braam en bloeiende kamperfoelie. Haar lijf en de punthoed werden waarschijnlijk gevormd door die bijna mansdikke penwortel, de haren een verknoopte bos dode braamstruiken. Alles bedekt met sliertig korstmos. We klommen op de wal en om haar heen, keken door onze oogharen, maar niemand kon er echt een heks in zien. Zelfs ik niet, en normaal ben ik daar erg goed in. De anderen verloren hun belangstelling. Ik was teleurgesteld.
Een paar dagen later, ik wist nu de weg, ben ik in mijn eentje naar haar teruggegaan. Aan het eind van een zonnige dag. Met tegenlicht. Ik heb op een steen naar haar zitten gluren tot ik weer klam zweet voelde. En dat ik alleen was. En dat het al schemerig werd. En dat het begon te waaien. En dat er achter mij iets ritselde…
Ze was er weer. Dit was haar Uur. Mijn boomheks op de driesprong.

Advertenties