Het Nieuwe Wonen

Begin november las ik in de Volkskrant de ‘Voetnoot’ van Arnon Grunberg. Het ging over Steve Jobs, die pas was overleden. De hele krant stond er vol mee maar één zinnetje van Grunberg boeide me: ‘Ook leefde Jobs een tijd in een huis zonder meubelen. Wat zijn voordelen moet hebben.’

En óf dat voordelen had, wist ik meteen. Héél véél. Ik somde ze op voor J. Toen zij onmiddellijk begon nóg véél méér nadelen op te dreunen liet ik het rusten. Maar het bleef jeuken. En gisteren, na het ontbijt, terwijl J haar tanden poetste, keek ik om mij heen door onze dichtgeslibde woonkamer en zag Het Nieuwe Wonen.
Zo’n ontbijt kan best zittend op de grond. Koken, eten, drinken, afwassen, lezen, borrelen, slapen, alles op de grond. Tijdens onze kampeertochten déden we niks anders. Ja, dat ik de laatste jaren wat moeite kreeg om uit kleermakerszit omhoog te komen drukte ik moeiteloos weg. Nu begon ik ook de meubels weg te denken. Poing, weg tafels en stoelen. Hoe sterk is mijn verbeeldingskracht? Poing, weg zithoek. Poing, weg eikenhouten dekenkist. Is de tv een meubel? Nee, maar de kast waarop hij staat wel: poing. Onze uitpuilende boekenkasten verdwenen met een knip van mijn vingers, de boeken stonden in lange rijen langs de plinten op de grond. Geluiden begonnen al hol te klinken. J kwam binnen en overzag de boel. ‘Je uilenverzameling’, zei ze voorzichtig. Zo sterk is mijn verbeelding dus. ‘Nee’, zei ik, ‘die hangt aan de muur.’ ‘Ja, maar wel in een wandmeubel, lieverd.’ Wat moest ik met mijn uilen? Langs 3 wanden stonden de boeken en oude tijdschriften. De vierde was gevuld met de geluidsinstallatie en tweeëneenhalve meter kostbaar vinyl. Eén vensterbank werd in beslag genomen door twee rijen cd’s op elkaar. Naar de werkkamer dan maar. Die werd nog een apart probleem. De werkkamer stond immers vol met de meubels die ik had weggemoffeld. Maar ja, als tijdelijke oplossing dan maar. De uilen gingen naar de werkkamer en J naar haar werk. Het Nieuwe Wonen á la Jobs kon beginnen. Alleen oppassen voor de lampen, die hingen nu gevaarlijk in de loop.

Zo, in onze lege kamer, moest ik denken aan een oude medestudent. Hij had na lang zoeken een kamer in Amsterdam. Verder niks. In één hoek lag een matras met wat paardendekens, voor het raam stonden een keukentafeltje en -stoel. Naast de matras een wekker en een transistor-radiootje. Hij had rood haar en we noemden hem Vince.

Maar goed, ik ging Wonen.
In de hoek, bij de plant (is dat een meubel?) en de geluidsinstallatie, onder het doorzonraam, leek mij wel een knusse plek. Die richtte ik verder in met de krant, een asbak en pakje shag, koffiekan, mok en suikerpot. Ik strekte mij languit op mijn buik, herschikte de spullejes om mij heen, schonk koffie in en begon, een shagje rollend, te lezen. Prima wonen zo, toch? Ja, man. Alleen. Er zat iets niet lekker in mijn onderste rugwervels. En waar was mijn aansteker? Kruipend ging ik op zoek en vond onderweg ook het kussen van de bank. Dat scheelde een stuk. Hè, gezellig. Nog een bakkie. En ik wilde net aan de ‘V’ beginnen toen ergens in huis mijn mobieltje riep. J heeft mij nodig! Waar is mijn telefoon? In mijn jaszak. In de gang. Aan de kapstok (ai, dat is een meubel).
En: hoog.

Ik keek op uit de krant maar dat lukte niet. Stijve nek. Het woord ‘op-roep-sig-naal’ drong ineens met al zijn implicaties tot mij door: ‘kom OP, op-staan, omhoog-komen, op-rijzen’. *Ring*to*ne* is een veel leuker woord.
Opstaan. Jezus. Was Hij dat niet, of was het Lazarus? ‘Sta op en wandel’? Kruipen dan maar? Dat ging niet. Mijn linker heup was volledig gevoelloos en diep in slaap. Maar het zou toch wel handig wezen als ik opstond en wandelde. Ik zag mij niet, al kruipende, ter stoelgang tijgen. Trouwens, kom-op joh, luie, verwende babyboomer, laat je niet kennen!.
Mijzelf aldus toesprekend rolde ik me op mijn rug, nee toch maar op mijn zij, en kon ik mij opwerken tot in zithouding. Weer die lage rugwervels. Mijn linker-schouder en rechtervoet deden even niet mee. Met steun van de radiator dwong ik mij tot knielen, de leidingbuis en een stoere woeste ouwemannenkreet hielpen mij tot een soort van staan met mijn bovenlichaam in een haakse hoek naar voren waar heer Ollie’s trouwe bediende Joost een puntje aan kon zuigen. Doordat de gordijnen het nog net hielden (hah, nog genaaid door mijn moeder!) bracht ik mijzelf tot stand.

Nahijgend keek ik langs mijn lijf omlaag naar de enorme diepte waaruit ik mij omhoog geworsteld had. Het stelde niks voor. Aanstellerij, ouwe. En mijn kleren! Zo ontdekte ik nóg een reden waarom ik hier niet aan had moeten beginnen: J en ik hebben een pesthekel aan stofzuigen.
Afijn, ik stond. En ja: poing, álles stond er weer. Rot op met je Nieuwe Wonen.

Advertenties

Een gedachte over “Het Nieuwe Wonen”

Reacties zijn gesloten.