Storm

StormEen flard autoradio meldt: windkracht 11 aan de kust. Ik kijk naar links, waar ergens het Noordzeekanaal moet zijn. Daar dus. Hier in de haven misschien 9. Maar hoe dichter ik bij het water kom hoe harder de storm. Op de hoeken hap ik naar adem. Dan hoor ik de meeuwen. Daar kwam ik voor. Met dit weer gaan ze helemaal uit hun dak. Dolle capriolen. Schreeuwen en joelen. Voorbijgangers uitschelden. Lefgozers en straatmeiden. Ik zit op een stevige bolder, op veilige afstand van het water en word opgemerkt. Ai. Eén van hen scheert rakelings langs me en blijft even verder in de lucht hangen. Doodstil. In die storm. ‘Hee, ouwe!’ krijst hij, ‘Lekker kleurtje, die neus.’ Ik plant mijn benen wat steviger uit elkaar. De wind komt nu van alle kanten. Met meer meeuwen. Mijn aandacht valt op een tamelijk groot exemplaar dat aan komt waaien. Zijn vriendin? Hij: ‘Marvia, kijk! Is wel wat voor jou. Jij valt op vuilniszakken!’ Marvia duikt onder hem door, zit ineens boven hem. Ze pikt in zijn kop en peert hem. Ik mag haar en grinnik. Schenk wat warme koffie in de dop van mijn thermosfles en pak het zakje oud brood. Fout. Als ik ze de eerste handvol toewerp draait de wind en krijg ik alles in mijn gezicht. Gegil, gekrijs, meewarig gelach. En nogmaals fout, want: ‘Die eikel die denkt dat we badeendjes zijn, jongens. Brood! Weke stukkies brood!’ Een deel van de meute taait af richting een viskotter die aan de overkant de haven binnenkomt. Die met die grote bek aarzelt nog. Dan schiet hij onder een onverwachte hoek mijn kant op en voel ik dikke petsen op mijn hoofd en schouders en is ook hij weg. Verre flarden van massaal gejuig. Ik vertrek, nee ik druip af. Ik trek mijn kop diep in mijn kraag en probeer niet aan mijn petje te voelen. Ik krijg je nog wel, vuile rat. Al zou ik bij god niet weten hoe. Sardientjes? Jaah, sardientjes. Geweekt in jenever.

(De meeuwen zijn accolades, lettertype: Apple Chancery.)

Advertenties