60 Minuten steeltijd

X
Om vijf uur, halfzes ’s-morgens sta ik op. Kus voorzichtig mijn slapend lief, trek iets warms aan, vul het koffieapparaat en pak een stoel bij ’t open raam. Voeten op de vensterbank. Grijs en nevelig is het buiten. Aan de overkant zijn de gordijnen nog dicht. Een aantal daarvan gaat ook nooit open. Nou ja. De merel in de boom vlak voor me test een nieuwe riedel. Helder in de stille ochtendkou, piepklein echootje erachter tussen de gevels. Zijn vrouwtje valt in – tweestemmig geluk. Een duif in de dakgoot duikt wat dieper weg in opgezette veren. Die laat zich straks pas horen, na het eerste geschraap van lijn-3. De koffiezetter pruttelt en geurt. Ik rol een sigaret en sluit mijn ogen. Geluiden van de slapende stad, een verre sirene. Ik twijfel tussen doen en laten. Pak ik iets op? Neem ik iets ter hand? Een nieuw idee is vannacht komen aanwaaien. Nog te vaag voor woorden, lijnen, streken. Ik schuif het door naar morgen. Het wordt dus laten. Nu koffie. Zwart-met-suikergraagjadanku. Lekker bakkie richtingloos.
Op dit ongerepte uur is alles nog leeg en open. Het raam, mijn hoofd. Niets moet. Iedereen die mogelijkerwijs iets van me zou moeten hebben kunnen willen ligt op één oor. Uur van ultieme vrijheid. Uur van on-verplicht zijn. Anargisties, egoïsties, asosjaal, voor-mijn-eigen.
NiemandsTijd, mijn dag en dauw: Ik roof jou.

Advertenties