Maf

Op een muurtje annex bank in het Westepark rol ik een sigaret. Er komt een man aanslenteren, meeneurieënd met zacht gesis uit een oorspeakertje, waarvan het snoertje in de borstzak van een jaloersmakend softlederen bomberjack verdwijnt. Handen in de zakken komt hij op me af. Legt een hand op mijn schouder en kijkt me dringend aan. ‘Hee man, zou ik misschien een shagje van je mogen draaiën?’ Dat ‘man’ uitgesproken op z’n engels, een beetje uitgerekt. Ik zet me inwendig schrap maar knik hem (kennelijk vriendelijk) toe en schuif mijn pakje in zijn richting. Hij ploft naast me neer en gaat er uitgebreid voor zitten. ‘Aah, man, echt te gek van je. Dat maak je niet vaak meer mee weet je!’ Te laat spreek ik mezelf toe: lul, hier kom je niet meer van af. Ik oefen namelijk een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op randfiguren die een Verhaal kwijt moeten. En/of om geld verlegen zitten. En ik ben niet geschoold in afschepen. Hij begint al rollende te kletsen over het kutweer, de vogeltjes, van wie verwacht wordt dat ze in mei allemaal weer een eitje zullen leggen, met een wantrouwende blik naar de snel zwarter wordende hemel. Ik mompel iets van dat dat wel erg koude eitjes zullen worden. Hij kijkt me aan met een vrolijke grijns. ‘Ja man, te gek, kouwe natte eitjes, maar warme droge kuikentjes. Dát is de lente, man!’ Ik kan het niet helpen maar ik ontdooi en kijk hem aan. Een vriendelijke, open kop, donkerbruine ogen, lachrimpeltjes, zwarte krullen, zwarte baard en snor van een paar dagen, met hier en daar wat zilver. Leeftijdloze ouwe weekend-hippie. Luchtig jaren-70-taaltje. Zijn Verhaal is ook het ouwe-hippie-cliché. Liftend op een bekend Spaans eiland aangekomen. Geld op. Mazzel gehad. Stel oude rijke Nichten (de hoofdletter is van hem) zocht ‘gaffer’ voor de feesten op hun luxe jacht en hij werd steward. Zo heeft hij de halve wereld rondgereisd. Ik wil nog zeggen ‘shiiit, mèèèn, de helft?’ maar hou mijn mond en knik. ‘Maar ja, de drank’ en ‘maar ja, de vrouwen’ komt er nog. Maar hij heeft nergens spijt van. Intussen ben ik blij met de vogeltjes om ons heen. Zoals dat geelborstje dat probeert op te vliegen met een veel te grote tak in z’n bek. Dat móet haast wel een mannetje zijn. Of een minister-president. Dan dringt het tot me door dat het naast me op het muurtje al enige tijd stil is. Ietwat beschaamd draai ik me om en zeg ‘oh, sorry’ (‘shit’ laat ik weg en‘man’ slik ik in). Hij zit me met een vergenoegde grijns te observeren. ‘Geeft niet man, ik ben een ouwehoer, en jij een toffe vogel, weet je dat?’ Hij schiet met z’n vinger de inmiddels gerolde sigaret die tussen ons in op het muurtje ligt naar mij toe. ‘En ík ben een beetje maf’, vervolgt hij en staat op. Met opgeheven duim blikt hij van de sigaret naar mij. ‘Geniet ervan, ouwereus, ik rook al 22 jaar niet meer, haha. So-long, man.’

Advertenties