Douche

Die morgen klonk
gedempt haar roep
vanuit de badcel
in de gang

Kun je me even
een handdoek geven
Die blauwe
van de lijn?

Met schone badstof
stout van zin en bonkend hart
begaf hij zich naar wat het duister
van die nacht hem had onthouden:
dat wilde lijf bij helder daglicht
te aanschouwen

Beleefd klopte hij zacht

Ja kom nou maar
wat treuzel je
ik heb het koud
ik wacht…

Daar stond ze, bij ’t fontijntje

Haar opgestoken, jas al aan
gezicht en handen onder de kraan
colgate-klodders op de tegelwand
gebarend met een natte hand:
Schiet op nou man
mijn bus!

Dus

Advertenties