Lente

Vanmorgen liet ik het hondje van kennissen uit. De hondenuitlaatstrook in het Westerpark, tunneltje onder het spoor door naar de Zaanstraat, waar altíjd al de zon schijnt, en een stukje Spaarndammerdijk. Daar stond een bankje, een verroest gietijzeren wrak met nog twee vermolmde planken, achter wilgenstruiken, uit de wind en in de zon. Ik ging zitten en vulde het meegenomen bakje uit een fles water voor de hond. Totie blij met haar drinken, ik blij met een shagje.
Even later kwam er een man opdagen en met een korte groet nam hij plaats naast mij op de bank. Uit een ouderwetse aktentas haalde hij een krant en een kleine thermosfles en schonk wat koffie in de dop. Een ritueel: dit was zijn koffie-uurtje, ik zat misschien op ‘zíjn’ bankje. Hij verdiepte zich in zijn ochtendblad. De Telegraaf. Ach ja, Totie lag onder de bank met haar neus in de zon en ik, tevreden roker, droomde gewoon met gesloten ogen van ruisende bossen en eindeloze toendra’s want daar droom ik altijd van op zo’n vredig moment.
En toen brak de pleuris uit.
Ergens achter ons startte een generator en allesvernietigend gedreun van een betonboor maakte alle denken en doen onmogelijk. De hond sprong geschrokken op en bonkte onder me met haar kop tegen de bank. De grond dreunde. Verbrijzeld gesteente, krijsende wapening. De herrie deed mijn denkraam uit zijn sponning springen, mijn vullingen trilden los en mijn hart vond een nieuwe maatsoort uit. Mijn buurman probeerde met gebarsten brilleglazen verbeten Ed Gelefarta te lezen.
Maar dan plots, even abrupt: stilte.
‘Ja spoelt u maar…’ riep een jonge vrouw in een witte jas op een fiets ons lachend toe.

God, het is lente.

Advertenties