Onzinnig liedje van de wind

Je hebt de noorder, de zuider
de ooster en de westenwind
kies er maar een uit
mijn Windekind

Neem de westenwind, die blaast je naar het oosten
waar chinezen, pyramides en kamelen zijn
Boeda’s in een tempel met een fakir en een slang
en ben je dan niet bang, mijn Windekind?

Naar het westen moet je reizen op de oostenwind
naar de cowboys, indianen, vette burgers met tomatensaus
de villa’s van de sterren van het grote witte doek
en alles is van jou, mijn Windekind

Met de zuidenwind dan kom je bij het ijs hoog in het noorden
bij de eskimo’s, de iglo’s en de elanden
bij de ijsberen, de lappen met hun tenten in de sneeuw
bij een kleine zeemeermin, mijn Windekind

Pak de noordenwind die brengt je naar de Mediterranée
naar de zon, de zee, het strand van Limonadeland
daar kun je zwemmen in de golven op de rug van een dolfijn
vind je dat niet fijn, mijn Windekind?

En wil je weer naar huis
dan neem je de zuid-oostenwind
die blaast je weer terug naar waar je woont
daar weten ze je naam: het Windekind

Je nam de noorder, de zuider
de ooster en de westenwind
waar ben je geweest, wat heb je allemaal gezien,
mijn Windekind?

Het rijmt niet, alleen met ‘Windekind’. Het heeft geen refrein. Toch is het een liedje. Je kunt het zingen op de maat van je voortstappende voeten op een duinwandeling, want daar is het ontstaan. Een wandelliedje. Om mee naar buiten de wielewaal te zoeken. En als de regels op zijn is het liedje uit. Geen potje-met-vet.
De regels zijn onregelmatig van lengte, als windvlagen, niet altijd even hard en vaak uit onverwachte hoek, maar het loopt als een tierelier. Omdat de melodie bestaat uit vaste ‘loopjes’ omhoog of omlaag, voor begin en eind van de regels, met daartussen ook weer loopjes die je naar believen kunt herhalen voor de langere regels. Bij de kortere regels kun je wat meer adem halen, die stiltes vul je op met je voetstappen.
Mijn Windekind? Het zat erin voor ik er erg in had. Het paste zo, het hoorde zo. Mooi, romantisch, ook tamelijk voordehandliggend als je het hebt over een kind en de wind. Ik heb die naam natuurlijk niet zelf bedacht, hij zat gewoon in mijn hoofd en ik associeerde hem eigenlijk met middeleeuwse literatuur, dus ik zocht het op: De Kleine Johannes van Frederik van Eeden, uit 1884. Haha, ontelbare keren langs gekomen, via radio en tv en ongetwijfeld uit een leraar, daarom zat het ergens in mijn brein. Ik ken het boek niet, alleen de titel. Op Wikipedia vond ik een uittreksel. Tot mijn verrassing staat Van Eedens ‘Windekind’ symbool voor, even kort door de bocht, de kinderlijke fantasie. Het is ook een kinderlijk fantasie-liedje. Windekind zal een archetype zijn dat in mijn (ons collectieve?) onderbewuste zit. Hoe kwam ik er anders op? Een psycholoog, die Van Eeden.
Heb ik hem gejat? Geadopteerd? Er staat ‘mijn’ voor, een tamelijk bezitterig voornaamwoord, dus lenen kun je het niet noemen. Maar ik laat het staan, dat Windekind. Want: zo’n onzinnig huis-tuin-en-keukenliedje, gezongen door een naïeve zot, op een doordeweekse dinsdag buiten in de open lucht, wie maalt daar nu om?

Neem de westenwind, die blaast je naar het oosten
naar het westen moet je reizen op de oostenwind
met de zuiderwind dan kom je op de noordelijkste punt
en de noorder waait weer zuidwaarts met mijn Windekind

’t Kan ook allemaal andersom dan heb je tegenwind

Advertenties