Voor ons allegaar

Ver weg, uit een klein stukje wereld waar marteling en moord nog niet gewoon zijn, klinkt gezang. Vrede op aarde. Keurige mensen in mooie huizen tuigen kerstbomen op met de ballen van zolder en checken of de lichtjes het nog doen.
Een gebroken, hoogbejaarde visserman wordt wakker van het geluid. Steunend werkt hij zich overeind en krabt de oude, nog immer open wonden in zijn borst en handen. In de donkere kou van zijn hutje tast hij naar het stoffig aureooltje aan de spijker in de muur boven zijn brits en knipt het aan. Ja, het straalt nog.
Want de mensen zingen. Ze zingen voor hem. Ze zingen over hem. Ze lijken van hem te houden. Hem nodig te hebben. Nog steeds. Nog altijd. Waarom, waarom toch? Zij zijn toch met zovelen? Ze weten het toch allemaal zo goed? Waarom ík altijd maar weer?
Dan spreekt hij zichzelf bemoedigend toe. Kom op, ouwe, blijf hopen. Eenmaal begonnen valt het altijd weer mee. En het is maar voor twee dagen. Een makkie!
Met op de achtergrond het vrome gezang schuifelt hij naar de badkamer. Op zijn krukje onder de koude douche wast hij zijn voeten en neuriet verdrietig de ondertoon mee.

Advertenties