De prof

Zondagmorgen. Pinkster. Het is net gestopt met regenen. Nou ja regen, een dun buitje. Ik loop tussen de druppels door en blijf droog. Het ruikt heerlijk als ik over de houten steiger langs de kinder-werk/school/doe-tuin tegenover Squash City loop. Zo kom ik bij de donkere parkeerplaats onder het brede viaduct van de Haarlemmer Houttuinen. Nog geen twee meter boven mijn hoofd dendert een vrachtwagen over gehavend wegdek. Vanuit de donkerste hoek achter de auto’s bij het water klinkt gedempt maar hartgrondig en grof gevloek. Ik zal niet citeren, maar ik geniet van dit soort taalcreativiteit. En ik herken de stem van ‘de prof’.

Hij is een bekende figuur in deze contreien. Gewezen universitair docent politieke geschiedenis of zo, las ik ooit in een Z-Krant. Aan lagerwal geraakt, aan de drank, dakloos. Praat heel bekakt. Zit vaak met andere daklozen op het ‘bordes’ aan de Korte Prinsengracht te debatteren. Pal voor het raam van de peperdure supermarkt die zich heel pedant ‘Marqt’ noemt. Qapsones-super.
Enfin, hij heeft een nogal kort lontje voor van alles en nog wat. Dan kan hij uitermate agressief tekeer gaan. Vooral vrouwen triggeren hem daartoe. Hoge hakken, blote jurken, glimmende scooters en vooral naar zijn mening slechte moeders die slechts graaiers en flessentrekkers baren die de crisis hebben veroorzaakt en die hun dochters toestaan een minirokje te dragen: hij moet er niks van hebben en laat de hele omgeving delen in wat hij van ze vindt.
Met doordringend galmende operastem overschreeuwt hij het ergste verkeerslawaai. Hij is een meester in het bedenken van scheldwoorden, zo kwetsend en beledigend mogelijk, die hij letterlijk in het gezicht van zijn slachtoffer spuwt.
Maar nooit, helemaal nooit, wordt hij handtastelijk. Zijn woede is groot en echt, maar zuiver verbaal. Ik heb hem nooit iemand zelfs maar zien vastpakken. Hooguit een dreigend wijzende vinger. Prachtig zijn zijn zinsconstructies en terzijdes (‘Iedereen weet immers dat uw moeder zich reeds openlijk prostitueerde op de trottoirs aan de Ruysdaelkade!’), alles op zijn hautaine, geaffecteerde toon. Ik ben geen kenner maar ik verdenk hem ervan dat hij complete Shakespeare-monologen uit zijn hoofd kent. En je kunt het niet van hem winnen. Bij verdediging of tegenspraak laait zijn woede nog heviger op. De enige manier om ervanaf te komen is de aftocht, met gebogen hoofd. Dan beent hij terug naar het bordes, slingert over zijn schouder nog wat vervloekingen over je heen en zijgt met een opgelucht en zeer voldaan ‘hèèhè!’ weer neer waar hij zat.
En dan weet je: Ok, dit was ook voor een groot deel theater.
Voor ons buurtbewoners wordt het écht theater als de baas van het café zijn gramschap opwekt. Die speelt dan de beledigde onschuld en gaat terugschelden en dan moet er soms iemand ingrijpen: ‘Joop, denk om zijn hart!’ Dan wordt het gesust (sorrie prof, ik zat je te stangen) en krijgt hij binnen een glaasje bessen.

Onder het donkere viaduct klinken mijn schoenen hol op het hout, plat weerkaatst door het water er vlak onder. Het gevloek verstomt. Dan, ietwat benauwd: ‘hallo, hallo daar, eh help!’ Ik slalom tussen de auto’s door naar de waterkant. Hij zit in een vieze slaapzak tussen een auto en het groen uitgeslagen natte beton van de tunnel en kijkt me over zijn schouder aan. Met zijn vrije hand wijst hij op de rits en moppert: ‘Klotezooi meneer. Mooi kloten…’ De rits zit klem om zijn schouder, er zit een stukje van de stof in vast en het treklusje is eraf. Zijn rechterarm en hand zitten in rafelig bruin gipsverband. Met de ring van mijn fietssleuteltjes door de sluiting heengedraaid krijg ik het textiel ertussenuit en de rits los. Ik haal mijn sleuteltjes eraf en laat de ring zitten. Hij kan nu met zijn linkerhand de slaapzak open- en dichtritsen. ‘Tarááá!’ roept hij opgetogen. ‘God zegene u mijnheer. Nee, zonder dollen, bedankt.’ En met een blik van herkenning kijkt hij me aan en loert naar mijn jaszak. ‘Mooi moment voor een sigaretje, misschien?’ Hij weet het best. Af en toe komen we elkaar tegen en rol ik een shagje voor hem. Eén keer had ik niks bij me. Die dag hád hij al een pesthumeur. Nou, dat heb ik geweten. We lachen wat en ik rol een paar shagjes voor hem. We nemen afscheid en hij rolt zich nog maar even op zijn zij. Volgende week mag zijn gips eraf.

(Namen gefingeerd.)

Advertenties