1961

Een zonnige woensdagmiddag in 1961, ik was twaalf. Die middag heb ik voor het eerst ‘gelopen’ met een meisje, Greetje. Zij had rood haar. Ik was een groentje.
Schoolvriend Gerard, een jaar ouder dan ik en veel wijzer, had verkering met ene Anita en ze gingen naar de Cineac. Daar draaide de filmregistratie van een concert van Johnny Halliday met zijn hit Pour Moi La Vie Va Commençer. De Franse Elvis, Gerards idool en rolmodel. Johnny was blond en Gerard ook, vandaar.

De Cineac was razend populair. Een doodsimpel concept: non-stop herhaling van het Bioscoopjournaal, afgewisseld met educatieve reportages over de fabricage van baksteen of strokarton, spotgoedkoop, je kon komen en gaan wanneer je wilde. In de winter zaten er vaak daklozen. Kantoorpersoneel at er tussen de middag zijn pakje brood. Er was nauwelijks of geen toezicht, en hoewel het er officieel verboden was kon je er stiekem je eerste sigaret roken. En aan je meisje zitten.

Je had in de toenmalige jeugdcultuur de Nozems, bekend door hun brommers, berucht om hun gefluit naar meisjes, hun rotgeintjes en provocerend gedrag. Wij tieners, hun jongere broers en zussen, waren óf Dijkers óf Pleiners, allebei kon niet. Ik kon dus niet.
Gerard en Anita waren typische dijkers. Gerard met glimmende blonde Brilcream-kuif, kort zwart skai-leren jack, te korte jeans met smalle pijpen (skinny jeans, nu ook weer verplicht bij hipsters met barbered baard en zorgvuldig nonchalant knotje), zwart-suède puntschoenen. Hij reed altijd op een rode brommer, een ‘buikschuiver’, merk Kreidler. Anita: pikzwart haar (Italiaanse vader), hoog op-getoupeerd tot een suikerspin, doorzichtig roze nylon hoofddoekje. Lichtblauw jasje met ceintuur strak om de taille, wijd uitbollende roze petticoat met zwarte ruches, zwarte nylonkousen met naad. Aan haar voeten rode ‘flatjes’. Zij zat vaak bij Gerard achterop de buddyseat van zijn brommer, in amazônezit. Biotoop: Nieuwendijk, Haarlemmerdijk, snackbars, jukeboxen. Muziek: rock ’n roll, jazz en bebop, Elvis, Cliff Richard, Helen Shapiro.
Dan ook maar de pleiners: haar als ‘Caesar’-kapsel naar voren gekamd, zwarte coltrui; broek met uitlopende pijpen (St Topez-stijl); legergroene canvas schoudertas van de dump, ‘pukkel’ genoemd, volgekrast met de namen van pop-idolen en het ban-de-bom-teken. De meisjes waren meestal bleek, hadden lang sluik haar met pony tot ver over de zwaar-zwarte mascara-ogen. Leefgebied: Leidseplein, café Reijnders. Muziek: Brassens, Juliette Gréco, Françoise Hardy, jazz (Dave Brubeck). Nog een subtiel verschil: dijkers waren meestal werkende jongeren met hooguit huishoud- of ambachtsschool. Pleiners leerden door op HBS of Gymnasium. De hoogte van hun zakgeld was navenant. Grootste gemene deler: pesthekel aan autoriteiten en gezag en dus agentje pesten.

Greetje en ik waren dijker noch pleiner, hoewel ik wel mijn eerste broek met wijde pijpen droeg en mijn haar naar voren kamde, maar gewoon op de MULO zat en niet op ‘t Gym.
Greetje was klasgenoot van Anita, ze was mee als chaperonne opdat er geen ‘geflikflooi’ zou zijn in de duistere bioscoopzaal, en ik was mee opdat ze niet met z’n drieën zouden zijn wat dat bracht ongeluk. Of misschien omdat Gerard mij wel leuk vond voor Greetje.
Eerst gingen we Pepsi drinken bij de Rutex. In de Reguliers Breestraat pakte Greetje opeens mijn hand en hield die vast. Ik kreeg een vuurrode kop en begon te zweten. Apetrots maar als de dood voor wat er misschien van me verwacht werd. Zo ver was ik nog helemáál niet. Hand-in-hand lopen, dat deed je alleen als je verkering had! En iedereen kon het zien en iedereen keek naar me, daar was ik zeker van.
Ze probeerde een gesprek te beginnen en ik keek verlegen, maar hopelijk ‘interessant’ zwijgend, naar de voortstappende spillebenen van Anita voor mij, op haar flatjes van een maat te groot.
Anita was broodmager, Greetje een beetje mollig, dat vond ik wel prettig. En ze had geen suikerspin maar weelderig rood krulhaar. Haar zondagse jurk was gekreukeld en door haar Boldootluchtje heen rook ik de mij vertrouwde geur van bedompt wasgoed en slecht geluchte halve woninkjes, de geur van de achterbuurten waar wij woonden. Ik vond haar mooi en had niet in de gaten dat ik verliefd liep te worden.
Tijdens een pauze schuifelden we de bioscoopzaal binnen. Een stuk of vijf andere bezoekers zaten verspreid in de verder lege zaal. We gingen achterin zitten, het stel tussen ons in, ik naast Gerard en Greetje naast Anita. Chaperons of niet – zodra het zaallicht doofde zag ik Gerards hand onder Anita’s petticoat verdwijnen. Dus hiervan had ik hem op de heenweg gezworen niks, tegen niemand, zélfs niet tegen zijn moeder, te zeggen. Ik keek weg naar de lichtstraal van de projector boven onze hoofden, waarin een compacte wolk sigarettenrook hing.
Nu en dan keek Greetje langs de vrijers heen mij dringend aan. Het licht van het filmdoek glansde in haar haar. De reportage was niks aan. Johnny Halliday deed me niets. Een blonde rocker hoorde in ’t Engels te zingen en niet in inteluweel Frans. Toen na een korte pauze de reportage opnieuw begon kwam zij resoluut naast mij zitten en pakte mijn hand. Toen het licht uitging fluisterde ze of ik soms bang was. Ja ik was bang. Ik wilde wel van alles, maar wat precies daar had ik geen idee van. Maar dat ging ik dus niet toegeven. En behalve van opwinding zat ik al een tijdje te zweten vanwege mijn zondagse Terlenka broek, een stof waar mijn huid niet tegen kon. Plots trok ze mijn hand naar zich toe en ik voelde een blote warme dij. Ze likte mijn oor en fluisterde ongeduldig ‘toe dan’ en legde mijn hand wat hoger op haar been. Haar haar prikte in mijn gezicht en mijn zweet in mijn handen. Radeloos kneep ik af en toe gehoorzaam maar beschroomd in dat been.

Tijdens de wandeling terug naar de tram liep ik te zweten en kon ik niets meer, struikelde over mijn voeten, kwam niet uit mijn woorden, vergat haar hand vast te houden. Bij het afscheid op de tramhalte – de meisjes moesten om 5 uur thuis zijn – kuste ze me vol op mijn lippen en wurmde haar tong ertussen. Mijn eerste keer.
Daarna heb ik haar nooit meer gezien. Tussen Gerard en Anita ging het uit. De meisjes woonden in De Pijp, wij in de Spaarndammerbuurt. Een wereld van verschil toen.

Filmpje (YouTube): Johnny Halliday zingt zijn hit ‘Pour Moi La Vie Va Commençer’  (1961).

Advertenties