Vreemde snoeshaan

‘Waar komt u vandaan?’ vroeg de nette mevrouw die naast hem in de trein zat. ‘Uit den vreemde,’ zei de vreemde snoeshaan. ‘Dat dacht ik al,’ zei de mevrouw, met een blik op zijn groene snor. ‘Bent u soms een Indiaan?’ – ze had de veren op zijn hoofd ontwaard, hoewel ze het onbeleefd vond om iemand zo aan te staren. ‘Nee hoor, ik ben gewoon een vreemde snoeshaan, eigenlijk zijn we allemaal gek, waar ik vandaan kom.’ ‘Dat zou ik haast geloven, als ik u zo zie. Oeps,’ ze onderdrukte een lachje. ‘O meneer, het is heus niet persoonlijk bedoeld hoor, en u moet maar zeggen als u het vervelend vind, maar u bent zó vreemd hè. Weet u dat er vlaggetjes in uw nek zitten?’ ‘Ach ja,’ zei de vreemde snoeshaan, ‘maar ik heb er geen last van hoor. U wel?’ ‘O nee, helemaal niet, vreemde meneer, eigenlijk is het wel gezellig zo.’ ‘Daar ben ik blij om, mevrouw, dank u. Nu moet ik, neem me niet kwalijk, even wat te eten uit mijn tas halen.’ De vreemde snoeshaan stond op en reikte naar zijn bagage in het rek boven hun hoofd. Hij zonk weer naast haar op de bank, met een soort pannetje, dat rammelde alsof er stenen in zaten. Haar fatsoen kreeg weer de overhand, je kijkt niet naar iemand die zit te eten. Haar blik ging naar de vloer en ze zag zijn voeten. Blote voeten in sandalen. En zijn tenen waren van koper! Met glanzende slijtplekken aan de zijkant. Er groeide een vaag vermoeden bij haar, iets van vroeger. Ze wachtte beleefd tot hij zijn kiezelsteentjes, want dat waren het, opgegeten had en keek hem dringend aan. ‘Meneer, mag ik u iets heel persoonlijks vragen?’ ‘Zeker mevrouw, ik hoop dat ik een antwoord heb.’ ‘Wat bent u voor persoon? Het lijkt of ik u ergens van ken, maar ik kan er niet opkomen.’ Hij stak zijn wijsvinger op en zei ‘let op!’ en ging pontificaal in zijn volle lengte in het gangpad staan en draaide langzaam om zijn as. Toen hij haar weer aankeek zag hij als het ware het kwartje bij haar vallen en zei: ‘aangenaam, mevrouw!’ De nette dame zakte onderuit op de bank en schoot in een luide, ordinaire maar bevrijdende lachbui. Daarna wreef ze, nog na-hikkend, de tranen uit haar ogen en klopte uitnodigend op de bank naast zich. Hij trok zijn broekspijpen op om geen knieën te krijgen en ging zitten. ‘Ik had het kunnen weten,’ zei de nette dame, ‘mijn moeder heeft het me nog geleerd. U bet een…’ ‘Ssst!’ siste hij samenzweerderig, ‘niks zeggen, ze zitten allemaal te luisteren, laat ze maar raden en piekeren. Alleen wij tweeën weten het. En Annie natuurlijk. Afgesproken?’ ‘Afgesproken!’ Ze gaven mekaar een hand en de trein stopte en ze stapten uit. Op het perron nam hij afscheid en liep naar de grote hal. Zijn lopen was eigenlijk meer flaneren. Toen loste hij op. De nette dame draaide zich om en liep met kokette pasjes naar de tram, op de maat van het gedichtje dat ze halfluid voor zichzelf opzegde. Passanten wisselden veelbetekenende blikken en wezen op hun voorhoofd. De nette dame zag dat best, maar het kon haar geen sikkepit schelen.

(Met voorlopige dank aan Annie; een volgende keer het complete signalement van de vreemde snoeshaan.)

Advertenties