Zwijn

Ik loop over een smal paadje, net binnen de rand van een donker sparrenbos, langs de hei. Nog twee kilometer en ik ben in Ermelo, daar is het station. Voor me op het pad landen twee kauwen. Ze lopen in het grind pikkend voor me uit. Als ik dichterbij kom hippen ze voor me weg, maar ze blijven op het paadje. Bij iedere stap die ik zet. Hip-hip, waarbij ze nu geagiteerd naar me beginnen te loeren. Lig nou niet te zeiken, jongens, ik moet ook die kant op ja? Bovendien ben ik aan deze aardkloot gekluisterd en jullie niet. Dus als het je niet bevalt: vlieg een eind op zeg. En dat doen ze. Met veel gekrijs. Na vijf meter zie ik plotseling dat ze dat niet deden omdat ik het zo vriendelijk vroeg. Mijn hart bonkt in mijn keel en mijn nekhaar prikt. Ik sta oog in oog met een joekel van een wild zwijn. Mannetje. Heeft zin in me. Kop laag, oren naar achteren, borstels recht overeind, rode ogen, slagtanden. Ik loop met het koude zweet op mijn rug, doodstil, voetje voor voetje, achteruit bij hem vandaan. Hopend dat ik niet op een knappend takje trap, kijk ik uit mijn ooghoeken uit naar een geschikte boom. Ja, rechts, vierde boom. Nog zeven stappen, schat ik. Ik reik langzaam naar een tak, zet nog langzamer mijn voet op een andere en breng haast onzichtbaar mijn gewicht over. Knap! zegt de tak en ik sodemieter met veel lawaai van schors en takken weer op de grond, terwijl ik onhoorbaar maar vol overgave om mijn moeder roep. Het monster uit een geschrokken gil en maakt dat ’ie wegkomt. Ik hoor hem en blijkbaar nog een heleboel meer, angstig knorrend rennen door het bos. Wég! Wég van mij, de woeste, onbevreesde, wrede wilde zwijnen-verslinder! probeer ik dapper. Mijn trillende lippen en knikkende knieën krijg ik hiermee echter niet in bedwang. Dat duurde nog tot Amersfoort. En volgens mij heb ik t-twee k-keer i-ingecheckt.

Advertenties

Een gedachte over “Zwijn”

Reacties zijn gesloten.