Stukje straat – de biljartclub

Ik verliet de kapsalon en hoopte maar weer dat ik geen bekenden tegenkwam. “Meneer? Meneer, kan ik u wat vragen?” Een vriendelijk ogende man op leeftijd. Mijn leeftijd. Ai. Maar ik kende hem niet, dus het kon.
“Kijk, dat zit namelijk zó… of nee wacht, andersom: houdt u van biljarten, legt u wel is een biljartje?” “Nee, ik leg nooit een biljartje.” “Ook niet toen u jong was?” Het antwoord was ja, maar mijn jeugdzonden ga ik niet op vrijdagmorgen voor de deur van de kapper aan een wildvreemde belijden.
Ik was begin dertig. In de enige gewone-mensen-kroeg in het toen nog chique Oud-Zuid (je weet wel: ‘de PC’ en zo). Een prachtig kroegje, het bestaat nog steeds. Achter de tapkast heerste een beroemde en door mij zeer geliefde actrice, die even geen acteerwerk had, of even niet wilde – zo’n type was ze wel. Met een paar collega’s in de lunchpauze. Twee ontwerpers, en een werktekenaar die sneller werkte dan wij konden bijbenen met onze viltstiften. Een schaal broodjes en een paar biertjes op een tafeltje. Stootje, hapje, slokje. Intussen flink roddelen. Iedereen in de reclame roddelde. Tout Oud-Zuid roddelde. We droegen dure kleren. ‘Oversized’ was toen de mode in ons vak. Op de groei gekocht zei mijn moeder. Enorme bandplooibroeken met vouw en omslag, met een iel dun riempje; wagenwijd overhemd met roestvrij-stalen mouwophouders, zodat je nog enigszins je handen kon gebruiken, en witte gympies (sneakers kenden we nog niet). Het was helemaal mijn stijl niet. Maar je bent onder collega’s, je past je wat aan, je poldert wat, en voor je ’t weet loop je er zo bij. Het was best gezellig. Ik kon het goed. Als kind al van mijn opa geleerd. We kwamen steevast een half uur te laat op ons werk terug. Heel hip. Enfin, dat is allemaal lang geleden.
Dus: “Nee, ook niet toen ik jong was. Ik hou er niet zo van, eerlijk gezegd.” Teleurstelling. “Kijk, meneer, dat is nou jammer. Dat komt, wij hier uit de buurt hebben namelijk een gezellig biljartclubje, ziet u. Elke zaterdagmiddag bij Sjaak, daarzo, in de Van Beuningen. Maar het zwikkie dunt een beetje uit de laatste jaren hè, en het zou aardig wezen als er weer wat nieuwe leden bijkwamen en – ik zeg het maar ronduit – een beetje contributie. Nou ja, het ligt u niet, kan gebeuren hè? Ik dacht ik probeer het maar. Maar goed, ik begrijp het. Nou, meneer, ik hou u niet verder op. Prettige dag nog.” Ik wens hem ook nog een prettige dag en succes met zijn zoektocht naar vers bloed. Hij vervolgt zijn weg. Even later haal ik hem fietsend in. “U weet echt niet wat u mist hoor!” roept hij nog en steekt groetend zijn duim op. Even goede vrienden.

Advertenties