Hond

Op het paadje langs de fontein liep een hond. Ergens achter hem liep een driftig klein oud mannetje verhit aan de lijn te rukken die hem voorttrok, de hondenneus achterna. ‘Hier! Terug! Kolerehond! Heb ík dat?’ Hij zette zich schrap om een woeste ruk aan de lijn te geven. De hond merkte er helemaal niets van en de man skiede op zijn schoenzolen over het grind. Plotseling bleef de hond staan. Door gebrek aan tegenkracht gleed de man op zijn kont en liet de lijn schieten. De hond stond doodstil, als een jachthond, oren recht, neusgaten wijd open.
En daar stond ze. Midden op de speelweide. De mooiste teef aller tijden. Ze keek terug. Hij ging als een speer. Ze draaiden wat om elkaar heen, snuffelden wat. Hij was welkom.
Ik wendde me af en sloot discreet denkbeeldige gordijnen. De oude baas zat met de handen voor z’n gezicht op een bankje. Cocu. In zekere zin.

Advertenties