Hallo Turkije

Een nazomeravond. De zon is al achter de daken maar het is nog licht, het is nog warm en het is etenstijd. Het terras op het pleintje zit vol en voor enkele huisdeuren zitten mensen in tuinstoeltjes met een bordje op schoot en een glaasje op de stoeptegels. De lucht is vol geurtjes, geroezemoes, gerinkel van eetgerei en glazen. Ik hang met rondgegeten buikje uit het raam.
Aan de overkant komt een zware boodschappentas de straat in lopen met een grote zware man eraan vast. Uit zijn zak klinkt een oproepsignaal, een flard klassieke muziek. Zijn vriendelijk gezicht staat plots zorgelijk. Hij trekt zijn telefoontje en ziet, nu getergd, de naam van de beller. Drie gezichten in nog geen drie seconden. ‘Allò?’ bast hij bars. Het klinkt als ‘wat mot je’. Het apparaat gaat tussen kin en schouder, hij zakt iets door de knieën om zijn tas neer te zetten en hij steekt al luisterend een sigaret op. Hij hoort het even aan en begint aan wat een lange monoloog wordt, met korte zinnen en op steeds indringender toon. Daarbij richt hij zich soms letterlijk tot het arme mobieltje om zijn woorden kracht bij te zetten. Er moet blijkbaar iemand overtuigd worden. Toegesproken. Bezworen. Gebeden. Turkije is ver weg. Heel ver. En dan moet je dus heel hard praten.
Turkse buurtbewoners lijken bedrukt door wat ze horen. Hij merkt het. Hij schiet zijn peuk weg, brengt het mobieltje naar zijn andere oor, draait zich om en leunt moedeloos voorover, zijn voorhoofd tegen de muur. Zo blijft hij nu minutenlang stil luisteren. Nu en dan schudt hij nee. Met zijn hoofd zo tegen die muur is het eigenlijk zijn rug die nee schudt. Dan houdt ook dat op en richt hij zich op terwijl hij zich langzaam weer naar de wereld draait. Zijn gezicht klaart op en nu knikt hij steeds ja. Na een tijdje heft hij een hand en een opgelucht zuchtend gezicht ten hemel en zoent zijn mobieltje. Er volgt een uitgebreid afscheid terwijl de eigenaar van de buurtsuper op hem toestapt, zijn hand pakt en hem vrolijk zachtjes op zijn wang klopt en hem vervolgens als het gesprek ten einde is omhelst en zoent.
Boven hun hoofd worden dikke lagen gordijnen weggeschoven en steekt de overbuurvrouw haar hoofd uit het raam. Er wordt hier en daar druk gebeld: ‘goed nieuws!’ zoemt de hele wereld rond. Een blije zware man en de winkelier lopen gearmd naar de winkel. Er worden stoeltjes buitengezet en de winkelier schenkt koffie. Er is in Turkije iemand overtuigd, tot andere gedachten gebracht of wie weet gecapituleerd.
Uit een ver raam klinkt een heldere vrouwensopraan met die typisch Turkse jodel: ‘Lè-lè-lè-lè-lè!’ Volgens mij is er vanavond ergens een feestje.

Advertenties