Aan de wandel

Vaak heeft ze zin in, of is toe aan, een stevige wandeling. Gewoon d’r neus achterna en niet op de klok kijken. Een dood-enkele keer gaat dat wel eens mis. Keuzes: zodra ze de deur achter zich dichttrekt kan ze twee kanten op. Links- of rechtsaf. Eenvoudig toch? Had je gedacht. Beide kanten komen uit op een kruising waar ze vier richtingen op kan. Al die richtingen leiden ook weer naar kruispunten, één zelfs naar een zessprong. Als ze niet, op zo’n dag, voordat ze haar woning verlaat, heeft nagedacht over iets waar ze naartoe wil wandelen, dan verlaat haar acuut de zin in en het toe zijn aan. Dan gaat ze hoofdschuddend weer naar binnen en pakt een boek. Soms, als ik dat merk, troon ik haar mee en gaan we samen boodschappen doen. Ja, dat is ook wandelen hè?
Daarom wandelt ze graag langs het Noordzeestrand. Daar kan ze maar één kant op: vooruit. En dan met de trein weer naar huis. Of ze kan weer terug wandelen. Ook leuk. Dan loopt ze in een ander land, langs een ander strand, de zee aan de andere kant. Ze kan eventueel nog landinwaarts lopen, de duinen door, maar dan volgt weer het gedoe met kruisingen en splitsingen. T-splitsingen: die háát ze werkelijk. Er is aan het strand nog één andere richting: zeewaarts. Maar die kant op loop je, zeker met dit weer, een wisse dood tegemoet. Daar heeft ze nu dus nog echt geen zin in, is ze nu dus echt nog niet aan toe.
Maar 9 van de 10 keer gaat het goed. Dan stapt ze moe maar zeer voldaan weer uit haar autootje en heeft ze weer een bloemetje gezien waar ik nog nooit van gehoord heb.

Advertenties