Meeuw

Ik zit in de tram op de eindhalte aan het Westerkanaal, wachtend tot hij gaat rijden. Een vlucht meeuwen is neergestreken op het water, midden op het kruispunt met de Zoutkeetsgracht, dobberend op driftige golfjes. Eén meeuw heeft als enige zijn ogen open. Hij drijft te piekeren: Is dit mijn leven? Moet ik dit normaal vinden? Moet dit? Omdat ik een meeuw ben soms? In dit ijskoude vocht, kop tussen je schouders en pal in de wind? En maar dobberen. In hagel, sneeuw en regen. Tot het etenstijd is. Tot de vissies weer boven durven komen. Hebben we hier nou zo ver voor moeten vliegen? Stomme, saaie kademuren, klotehonden. Wat was er mis met de Nieuwe Meer? Daar zaten we tenminste nog gezellig tussen het riet. Nee, we moesten per se eens naar de stad. Zijn de vissies hier zo hip dan? Een vissie is voor mij een vissie. En die kleffe, natte, witte boterhammen komen me de strot uit. En op de wal loop je te soppen in de stront van die stomme eenden. En van die nog stommere duiven. En van die tyfushonden. Eet smakelijk. En vind je eindelijk een lekker schijfje fair-trade-chips, krijg je zo’n rottige ekster op je dak. En dan zit er ook nog zo’n ouwe lul in een tram de hele tijd naar je te kijken. Heb ik wat van je aan, man?
Ting-ting! de tram rijdt weg. Dag piekerende kopmeeuw, alvast één kopzorg minder. Halte ‘Prins Hendrik Plantsoen’ moet ik hebben.

Meeuw

Advertenties