Willem

De zon schijnt fel en er valt natte sneeuw. Het geeft een vreemde sfeer. De twee daklozen, op hun vaste stek op één van de banken die in carré’s rond de bomen staan, hebben er geen last van. Tussen hen in staat een halflege fles whiskey, uit een afvalbak gevist, of van de kroegbaas gekregen. Ze hebben het over een afwezige kennis:

‘Willem? Nee, die sit weer in de kliniek.’
‘Shit. Alweer opgepakt?’
‘Nee, weer zo’n storing. Jeweetwel, dat -ie in ene een soort kortsluiting krijgt in ze hoofd en dan patsboem tegen de vlakte gaat.
‘Arreme goser, Willem.’
‘Nou, de arreme Willem heb ’t anders mijn ook mooi een keer geflikt. Midden in een gesprek. Ik ben me helemaal het apelazerus geschrokke! Allemaal mense d’r bij. Dachten dat ik hem een dreun verkocht had. Klaar ben je, met je arreme Willem.’
‘Nou, hij is wel een beetje een zielepoot hoor. Hij ken d’r niks an doen. Aangeboren, zegt -ie.’
‘Weet je, ik realiseer me ineens: die goser heb al zo godsgruwelijk veel op se bek gelegen – die stakker moet alle stoeptegels persoonlijk bij naam kennen!’

Advertenties