Frits

Ha die Frits!
– Pardon?
O sorry, vanachter ben je net Frits.
– En van voren?
Ja, nou, kan ermee door, nogmaals sorry. Neem ’n biertje van me.
– Graag. Zeg maar Kees.
Ha Kees, ik ben Arie. Het komt door je jas.
– Wat is er met mijn jas?
Jij hebt Frits z’n jas aan.
– Ik ken helemaal geen Frits, dus wat moet ik met zijn jas!
Weet ik veel. Misschien komen jullie in dezelfde kroeg, haha. Hij is ‘m daar laatst vergeten.
– Wie, Frits?
Nee, z’n jas.
– Dus die zit nou zonder jas?
Wie, Frits?
– Ja, Frits.
Nee hoor, er hing nog een andere.
– Ah, ik ken dat. Een groen-leren bomberjack misschien?
Hoe weet jij dat? Ik dacht dat je hem niet kende!
– Wie, Frits?
Ja, Frits!
– Nee, Frits ken ik niet, maar wel mijn jas.
Krijg nou wat. Ik ga ‘m bellen, hij heeft vast ook wel zin in een biertje.
– Wie, Frits?
Uhm, Kees… ik krijg zin om iemand te slaan.

Advertenties

4 gedachten over “Frits”

  1. We hadden vroeger een jongen in onze kennissenkring: Frits. We maakten er een werkwoord van, zoals met smurfen. Was hilarisch. En hij heeft er lang over gedaan voor ie het echt zat werd.
    Wie?
    Frits!

    Liked by 1 persoon

Reacties zijn gesloten.