Zomaar

Ik wandel door het Speulderbos. Het ‘Bos met de Dansende Beuken’. De stammen vertonen de meest vreemde kronkels en bochten. Dat is geen enge ziekte of zo, ze zijn betoverd. Als je even niet kijkt swingen ze er op los, je hoort de kruinen ritmisch ruisen. Vooral ’s nachts is het hier feest. Maar niemand heeft het ooit gezien, als je kijkt dan bevriezen ze, maar ze staan anders dan tevoren.
Het knerpt en ritselt niet vandaag, zelfs het laagje beukennootjes onder mijn voeten niet. Het miezert al de hele ochtend. Mijn laarzen zompen door de bruine humuslaag en zakken weg in geheime, met bladeren bedekte plassen. De cantharellen doen het goed in deze tijd. Geel, oranje, in groepjes bijeen. Ze ruiken naar peper als ik er langs loop. Natte peper. Tussen alle 1001 andere geuren van het bos. Hoe ruikt mos? Mos ruikt naar mos. Zoals het haar van mijn lief af en toe. Dikke druppels vallen vanuit het grijsgroene bladerdak boven mijn hoofd. Pets, plets, van blad op blad, op mijn kale kruin, langs mijn nek mijn shirt in.
Ik glimlach even bij een herinnering. ‘Wat er nu valt kan morgen niet meer vallen, hè jongens?’ zei mijn moeder lang geleden. Gemaakt opgewekt, ze haatte regen. Wij knikten dan gelaten boven onze al helemaal volgekraste kleurboeken. We zaten in onze pyjama’s onder paardendekens op de strozakken in de tent (’niet het doek aanraken!’). Onder de luifel hingen de weinige kleren die we hadden te drogen boven een brandende primus. De zomervakantie.
De ‘Baardman’ staat er nog steeds, op zijn open plek in het bos. Een oude overwoekerde stronk van een eik, anderhalve meter hoog, verdwaald in dit beukenbos. Lang geleden geveld door de bliksem. Vroeger was hij groter. Want ik was kleiner. Ik blijf hem Baardman noemen. Sorry, Treebeard. Droevig peinzend staart hij naar zijn wortels. Droeve ogen met droeve wallen, een droeve druipsnor van mos onder een droef gebogen neus. Bezorgde rimpels in zijn hoge voorhoofd. Uit zijn ruige haardos van dode kamperfoelie groeit een ook al niet meer zo jonge, nieuwe eik omhoog. Zijn wortels kroelen in de kruin van zijn ouwe pa, vergeefs trachtend die tot minder droeve gedachten te brengen.
Met veel geplof en geflapper, tong uit de bek, komt er hijgend een hond aangestoven. Hij moet mij hebben. Hij snuffelt aan mijn laarzen, gaat zitten, kijkt me aan en steekt een poot op. Een cockerspaniël, de leukste honden die er zijn. Ik pak zijn poot en aai over zijn neus en kroel onder zijn bek. Hij likt mijn hand. Dan draait hij om en rent terug, zonder boe of ba, wiebelend met zijn malle staartje. Daar langs de weg staan zijn baasjes, een ouder echtpaar, ook met laarzen. We zwaaien en vervolgen onze wandelingen.
Dan piept even de zon door de wolken en het bos is van goud.

Advertenties

7 gedachten over “Zomaar”

  1. Toen ik kind was had een vriend van mijn grootvader een “echt” bos. Het was meer een grote wilde tuin, voor ons was het een bos. Daar stond een toverboom, een echte. Als je je wens luidop uitsprak tegen die boom, dan kon die uitkomen… zo werd ons verteld. Het moest luidop en je kon alleen maar simpele dingen wensen zoals “Morgen eten we soep met balletjes” bijvoorbeeld. Onze wensen zijn heel vaak uitgekomen. Mijn grootvader was op mysterieuze wijze nooit ver uit de buurt dan, hij was een echte tovenaar :-)

    Liked by 1 persoon

Reacties zijn gesloten.