Categorie archief: Amsterdam

Driehoog

Op eenhoog blijft ze even staan. Voor het raam van de donkere overloop. Daar hangt een ooit weelderige asparagus langzaam slap en geel te worden. Tussen de sprieten door tuurt ze even naar de smalle straat beneden. Niet dat ze veel ziet, het raam is in geen jaren gelapt. Nou ja, die van eenhoog hebben het ook hartstikke druk. Runnen een cafeetje. In Diemen. Overdag slapen, ’s avonds en s’ nachts werken. Waar heb je zin in. In Diemen!
Als haar tintelende voeten wat bekomen zijn van de opgesjouwde zestien treden kan ze verder. Tas op de derde tree, op de brede kant in de bocht. Twee handen aan de leuning, kont tegen de muur achter haar. Voetje op de eerste tree, andere voetje ernaast, tas een treetje hoger…

Op tweehoog is het al een stuk lichter. Het raam is fris gelapt en hij van tweehoog, die schat, heeft daar speciaal voor haar een klapstoeltje aan de muur geschroefd. Een oud bioscoopstoeltje van het Waterlooplein. Met heus fluweel. Toen hij hier kwam wonen heeft hij haar nog aangeboden van woning te ruilen. Maar toen had ze die voeten nog niet en heeft ze het afgeslagen. Ze is ook wel erg gesteld op het vele licht daarboven in haar woninkje. Vooral sinds de  huizen aan de overkant zijn gesloopt en vervangen door lagere nieuwbouw. En het zijn ook alleen maar die voeten. Nou ja, en die knieën. Ze heeft nooit gerookt, ze heeft al haar tanden nog en tussen de oren zit alles op de rails. En die tas is alleen op zaterdag zwaar, want wat zit daar nou helemaal in: een kilootje aardappeltjes, een bloemkooltje, pakkkie margarine, wat sinaasappeltjes en, nou ja, een litertje jenever voor sombere stemmingen. Nee, het gaat allemaal nog best. Nog één trap en ze is thuis.

Ze trekt zich aan de trapleuning overeind uit het stoeltje, dat beleefd wacht tot ze rechtop staat voordat het zitje piepend inklapt. Als ze na de bocht van de trap opkijkt ziet ze haar deur. In de volle zon van haar trapraam. Geschilderd door haar jongste, Greetje, voor ze met haar grote liefde naar Amerika vertrok. De hele deur blauw als de zomerlucht, onderaan kniehoog gras en kruiden met ertussen een knalrode klaproos. En in een hoekje een strontvlieg, het moest niet te sentimenteel worden.

Blussen

Ook goedemorgen!
Het was een klotezooi in Amsterdam vannacht. Het was een klotezooi in Nederland vannacht. Gelukkig nieuwjaar.
Wat ik zo smerig vind en zo ontzettend laf is het bekogelen van hulpverleners die proberen nog te redden wat er te redden valt.
Als ik brandgast was, met zo’n hogedrukspuit in de aanslag, en vanachter mijn rug bekogeld werd met rotjes, zou ik me abrupt omkeren en mijn spuit eens grondig door dat zooitje tuig heen laten zwaaien. Al die koppen zijk, alle biertjes dun, alle sigaretjes en jointjes naar de verdommenis, alle rotjes en bommen nat en slap. Net zo lang tot ze allemaal met hun grote dronken bekken om hun moeder staan te roepen.
Dat vuur? Kan me niet bommen. Dat is maar materiële schade.

Leidseplein

Niets is zo lekker
als een gloeiendhete frikadel
op een dun kartonnen bordje
uit zo’n laadje in de muur

Met zo’n zakje mosterd
dat je met je tanden opent
en vervolgens uitknijpt
over dat vleesgeworden spul
van god weet wát niet al

Bij voorkeur in de regen
in het donker op het Leidseplein
de rug tegen de warme muur
al kluivend gadeslaand de taxi’s,
trams en fietsers en gedoe

Er zit mosterd op je kraag
regen druppelt sissend op de worst
iemand stoot je zachtjes in de zij
met twee kwartjes in de hand
en hunkerende blikken:
aah, mag ik er ook soms even bij?

Tante Miep

Ik rol een shagje op een bank tegenover het terras van een berucht café in onze buurt. Dat terras is zojuist doorkruist door een jolige groep Italianen op ‘Rent-a-bike’ fietsen en de ober is bezig stoelen weer overeind te zetten. Aan een tafeltje zitten twee dames op leeftijd, categorie ‘De Rietvink’ (hét bejaardenhuis van de Jordaan) aan de koffie en een van hen wiegt een hysterisch krijsend en spartelend kindje van amper een jaar op haar schoot. De ander probeert verbeten zwijgend er niet bij te horen. De dame met het kind ziet me kijken en verontschuldigt zich met droevige pretogen (ja dat kan, veel oude mensen hebben zulke ogen) voor de herrie: ‘Ja erreg hè meneer. Ja, kindje fan me, joejoejoe, mammie komt zo trug hoor! Hee, lach is tege tante. Nee? Nou, gelijk heb je, meisie. Dat komt der mama moest plasse en ik zeg meid geef dat wurrempie maar effe hier en ga, links de here en rechts de dames. Zit dat kind in ene dus op schoot bij een eng oud wijf, die met der harde eeltige pote der wangetjes aait en der traantjes wegpoetst. Nou, ik ken u wel vertelle: dan had ik as kind zijnde óók me bek opegetrokke, haha! Aggot moppie, mamma is effe piese, mamma effe op het potje, mammie grote meid, he? Hee, meneer, ken u der effe overneme misschien? Ken ik effe plasse haha.’ Ik bedank beleefd. Ik ben gek op kinderen maar hun verdriet kan ik niet dragen. Ik heb ook een moeder gehad. En tantes met harde stemmen en eeltige handen van wie ik later erg veel ben gaan houden. ‘Och kijk-is, schatzie, daar is mammie weer, dáár, kijk! Dag mammie!’ Ik herken mammie. Mammie is de hoog-gehakte, hooghartige eigenares van een met nietpistolen en witte saus opgelapte voormalige sociale huurwoning in onze straat. Een pappie heb ik nog niet mogen waarnemen. Dus misschien is die hooghartigheid wel gewoon angst. Mammie neemt het kind over en vrede en gemoedsrust dalen neder over het plein. Het arme schaap hangt uitgeput van emotie hikkend met het hoofdje op mama’s schouder. ‘Lieve mevrouwen’, zegt mammie, ‘dank u wel, ik heb even afgerekend en de ober komt u zodadelijk twee citroentjes met suiker brengen. Van mij. Dag’ en weg is ze. Een zojuist in mijn gedachten nieuw verworven ‘tante’ reageert perplex en krijgt een naam:
‘… … … Citroentje met suiker! Op welke berg heb die de laatste jaren gekampeerd?’
Haar buurvrouw verbijt haar verbetenheid en hoort er plots weer helemaal bij: ’Kallem an, Miep. Bertus werkt, het wordt je gewone witte wijntje met ijs.’
‘Witte wijn met ijs? Maar het is pas twee uur!’
‘Vandaag is het ál twee uur, Miep.’

Slangenleer

– Nel die ga je hier niet kope, Nel!
– W’rom niet? Effe passe ken geen kwaad.
– Se sijn tweedehands, Nel! Alles hier.
– Maar het is écht slangeleer, én ik wil se al meleefelang!
– Corneeliejaaa! Je krijgt sief en hief en schimmels.
– Mijn ’n biet. Doekie met brandewijn derover. Doodt alle bakteriëlen. Kijktoggisan, se passe. Mooi tog?
– Het is geen pónem Nel. Je hep nóú al dikke enkels. Kijk in die spiegel.
– Krijg nou de pleures! Okee, niks aan de hand, gewoon een weekie zwarte koffie met zonder koekies en veel roke. Ben ik so weer op me gewichie.
– Nel, je lijkt wel een temeier met die stiletto’s!
– Koopman, lijk ik op een temeier?
– Wat is een temeier?
– Okee, geinporem: Een temeier, beste man, is un vrouw die haar lichaam, alsmeden haar eigedunk en zellefrespect, per uur en tegen een nette finansjeele bijdrage, ter beschikking stelt aan een iederlijk, ter leniging van seksuwele en/of zijnsgerelateerde behoeftes, see kuu noden’ (révérence). Wat moet je d’r voor hebbe?
– Ze zijn van echt Argentijns slangenleer, dame. Doe maar twintig. Mantelzorgers krijgen korting ;)
– Vijftien.
– …
– V i j f t i e n !
– Nou, vooruit mop, neem mee.