Categorie archief: Geen Categorie

Madeleine

Pyke Koch - Het wachten - Centraal Museum - Utrecht
‘Het Wachten’, Pyke Koch (1901-1991) Centraal Museum Utrecht

De loodgrijze hemel had de hele dag nog geen haarscheurtje vertoond. Het was geen seconde droog geweest. Miezerige motregen, afgewisseld door miezerige motsneeuw en miezerige mothagel. Die sloeg je bij vlagen fel in het gezicht op een ijzige noordooster.
Zo stond ik die avond op de eindhalte te wachten op de tram, die net voor mijn neus was weggereden. Met mijn rug tegen het glas, aan de achterkant van het tramhuisje, want de wind sloeg er pal in.
Het was half zeven, de straatverlichting brandde al en wierp grillig kronkelende lichtvlekken op de golfjes in de gracht voor mij. Tegen dat licht zag ik de zwiepende vlagen natte sneeuw zilverig afgetekend. Iedere slappe vlok zeek met een eigen cirkeltje in het onrustige water. Het politiebureau aan de overkant had het weer druk vanavond. Auto’s reden af en aan, de meesten met dreigend blauw zwaailicht. Pas bij de brug gingen de sirenes aan. Wel zo aardig.
Een vrouw in het zwart met knalgele paraplu en bij het invallend duister oogverblindende sneakers kwam aangelopen. Ze betrad het huisje en bekeek me argwanend door de achterwand. Ik glimlachte en boog mijn hoofd even als groet. Moslima. Geleerd van Halet, een oude, inmiddels dode vriend. Ze knikte vriendelijk en draaide zich om. Ik was o.k. Het wachten kon beginnen.
Plots deed een windvlaag het tramhuisje opbollen tegen mijn rug. Achter het glas klonk een hoge kreet: ‘Godkolèrr!’ Een paraplu spong open en ze kwam stampvoetend de hoek om, verwikkeld in een driftig maar gedempt telefoongesprek, dekking zoekend een eindje naast mij. We knikten weer en wachtten. Op de tram. Die zou zo wel komen.
Even later voegde een man zich bij ons, achter dat tramhuisje. Niks geen groet. Ook hij hield zijn eigen blauwverlichte wereldje in zijn knuist. Maar hij hield mooi het beetje tocht dat om de hoek kwam tegen. Nadeel: z’n paraplu druppelde in mijn nek. Ik kon niet veel opschuiven, dan zou ik te dicht bij de vrouw staan. We wachtten. De tram kwam niet, de mensen wel.
Een kwartiertje later stonden we met elf man, waarvan drie vrouw, samengedrongen tussen dat stomme tramhuisje en de balustrade van de gracht. Wachtend op een tram die niet kwam. En te kleumen. De vrouw naast me fluisterde weer ‘godskolèrr!’ Het is ‘gotskolére’ fluisterde ik terug. Ze keek me aan. ‘Gots-ko-lére’ siste ze trots. Wij waren de enigen die iets zinnigs te zeggen hadden. Over het weer. Gezellig toch? Iemand voerde handsfree een lange monoloog in het Russisch. ‘Waar blijft ‘ie?’ werd er soms gevraagd door iemand, aan niemand. Aan een drom verstokt zwijgende zielen, met blauw verlichte gezichten, nietsziende ogen en oren aan snoertjes. Het had heel gezellig kunnen zijn. Maar men zweeg, swipend over schermpjes. En wachtte.
En ik, ik gaf lijn 3 een naam: Madeleine.
Madeleine, qui ne viendra pas.*

 

* Jaques Brel

Prikkeldraad

Zolang de jager
wordt gesteund met
geld, wapens en ‘deals’,
zal de opgejaagde
blijven komen

Een vlucht naar
veiligheid en vrede
is volstrekt legaal

Dus is geen zee te diep,
geen hek te hoog
en is je prikkeldraad
een eitje

Gelukkig Nieuwjaar!

Aan al mijn volgers, lezers, delers, jatters en bezoekers, en hen die ze liefhebben:
Alle goeds in dit nog splinternieuwe jaar!

Ernst

De naam van de liefde

Alles wat nieuw is, is naamloos

Alles moet eerst opgroeien tot
een zeker begin van volwassenheid,
gevuld worden met inhoud, emotie en
vóór alles: voorzien worden van zin

Zo verdient alles zijn naam
Wordt benoemd, genoemd,
bezien, gezien, gevoeld
en aangeraakt

Als oude liefdes

Geef de liefde haar naam terug
Vul haar, verfris haar, noem haar:
Liefde

Tegel-(eigen)wijsheid

~:~:~:~:~:~

Laat niet, als dank
voor ’t aangenaam verpozen,
de Schepper uwer wereld
de lijken, verminkten, verdrevenen
en radelozen.

~:~:~:~:~:~

© Ernst