Categorie archief: Leven en dood

Mens

Tot veel in staat en groot is hij
De mens
Maar o zo nietig in verdriet en dood
Kijk maar naar zijn kleine kist

Wat mist
Is zijn ziel die is gaan reizen
Rust vindt in ons hart ons hoofd
Die blij verlost een liedje fluit
Heel zacht in zijn geliefden

Herinneringen achterlaat
Een vaag gebaar een oogopslag
Een warm houden-van en
Vredebrengend niet-vergeten

Dag kleine grote mens
Dag

Advertenties

Dora

Ai, Dora
Ai grote kleine
Toneelspeelster
Die zo keihard met
De deur in huis kon vallen
Zo tot diep in de ziel
Vertederen kon

Gelukkig:
Pauline is er nog
Pauline die u mij zo diep
In mijn kop en hart
Gestoken hebt

In Pauline
Die de bloemetjes begiet
Gedenk ik alle vrouwen
Kromme en rechte,
Haakse en scheve,
Goede en gekke
Wijven en vrouwen
Die u ons gaf

Het waren altijd echte
Echte mensen op toneel
Waar vind je dat?
Ik dank u, en rust
In welverdiende vrede

Marijke

(Een jeugdherinnering)

Marijke was een mooi meisje. Marijke van der Broek. Mooi en een beetje geheimzinnig. Ze was meestal vrolijk. Ze kon mooi zingen. Ik had een beetje een zwak voor haar. Toch speelde niemand met haar. Zelfs de grote jongens lieten haar linksliggen. Ze zat niet op onze school. Niemand wist op welke school ze zat. Ze werd weleens gepest op straat. In het speelkwartier riepen mijn klasgenoten lelijke dingen naar haar als ze weleens voorbijkwam. Dan rende ze huilend weg. Soms liep ze gearmd met haar moeder met een boodschappentas. Haar moeder keek altijd naar de grond, je zag nooit haar gezicht. Eenmaal liep ik Marijke tegemoet. Ze liep te praten. Tegen niemand. Ook niet tegen mij. Ik verstond niet wat zij zei. Het was een vreemde taal, met onnatuurlijke klanken. Af en toe lachte ze om zichzelf. Ze keek me aan maar ze zag me niet. Haar ogen stonden toen heel raar. Ik vroeg mijn moeder wat Marijke eigenlijk voor meisje was. Haar antwoord schokte me. ‘Marijke is een lieve schat, maar ze is niet helemaal goed.’
Later verdween Marijke uit het straatbeeld. Ze zat in een gesloten inrichting, vertelde haar moeder, die juist vaker op straat verscheen, niet langer wegkeek en rechtop liep. Ze bleek een aardige vrouw. Nog veel later mocht Marijke op de zondagen bij haar moeder. Dan zat ze bij mooi weer op de keukenstoel buiten voor de deur. Ze kletste in haar rare taaltje, haar ‘Indianentaal’, zoals wij inmiddels wisten, en kwijlde hevig. Of ze leunde ver voorover, met haar hoofd tegen de muur, heen en weer te wiegen. Net als die olifant in Artis. Ze droeg vaalwitte kleren, die op haar rug waren dichtgespeld.
Jan Foudraine had ‘Wie is van hout’ nog niet geschreven. De wilde experimenten en vernieuwingen in de geestelijke gezondheidszorg moesten nog plaatsvinden. En Marijke bleef ‘niet helemaal goed’ en stierf op haar dertigste. Door de pillen, ging het gerucht.

Stans

Ach die arme juffrouw Pol
van voren Stans, docente Frans,
ik wist van haar bestaan niet af
althans, tot hedenmorgen dan
m’n entresol schoot vol

Stond ze daar zomaar in de krant
bij geboorten, trouw en levenseinden
‘… na met geduld gedragen lijden’
de rouw harer droeve leerlingen
met † en paarse rand

Nou weet ik alles van je, Stans
hoe je leefde, onderwees en bad,
hoe je door k gesloopt de geest gaf

Ik wou dat jouw hemel echt bestond
al was het maar enkel en alleen
voor juffen Frans