Categorie archief: Natuur

Tjiftjaf

Daar komt de oude tjiftjaf
De tjif is er al wel een beetje af
Maar de rest is nog spic & span
Kijk ‘m gaan
Die kleine krasse ouwe
Tjaf

Tjiftjaf
Tjiftjaf (Phylloscopus collybita)
Foto Ferran Pestaña/Flickr

♫ Tjiftjaf – geluid / zang beluisteren.

Advertenties

Winter

Dit is de winter
van de groene weiden
Dit is de winter
van de dunne zon
Dit is de winter
van de jonge bloei
Dit is de winter
van de roestende schaats
Dit is de winter
van de sneeuwpoploze
gleufhoed, de loze kooltjes
en verweesde winterpeen
Dit is de winter
van de veel te dikke trui
Dit is de winter
van de waterige wind
Dit is de winter
van de dicht bij elkare
depressieve isobaren
Dit is de winter
van vooruit dan maar,
eventjes dan
Dit is de snelle winter
de alsdewiedeweerga winter

Winter

Zomaar

Ik wandel door het Speulderbos. Het ‘Bos met de Dansende Beuken’. De stammen vertonen de meest vreemde kronkels en bochten. Dat is geen enge ziekte of zo, ze zijn betoverd. Als je even niet kijkt swingen ze er op los, je hoort de kruinen ritmisch ruisen. Vooral ’s nachts is het hier feest. Maar niemand heeft het ooit gezien, als je kijkt dan bevriezen ze, maar ze staan anders dan tevoren.
Het knerpt en ritselt niet vandaag, zelfs het laagje beukennootjes onder mijn voeten niet. Het miezert al de hele ochtend. Mijn laarzen zompen door de bruine humuslaag en zakken weg in geheime, met bladeren bedekte plassen. De cantharellen doen het goed in deze tijd. Geel, oranje, in groepjes bijeen. Ze ruiken naar peper als ik er langs loop. Natte peper. Tussen alle 1001 andere geuren van het bos. Hoe ruikt mos? Mos ruikt naar mos. Zoals het haar van mijn lief af en toe. Dikke druppels vallen vanuit het grijsgroene bladerdak boven mijn hoofd. Pets, plets, van blad op blad, op mijn kale kruin, langs mijn nek mijn shirt in.
Ik glimlach even bij een herinnering. ‘Wat er nu valt kan morgen niet meer vallen, hè jongens?’ zei mijn moeder lang geleden. Gemaakt opgewekt, ze haatte regen. Wij knikten dan gelaten boven onze al helemaal volgekraste kleurboeken. We zaten in onze pyjama’s onder paardendekens op de strozakken in de tent (’niet het doek aanraken!’). Onder de luifel hingen de weinige kleren die we hadden te drogen boven een brandende primus. De zomervakantie.
De ‘Baardman’ staat er nog steeds, op zijn open plek in het bos. Een oude overwoekerde stronk van een eik, anderhalve meter hoog, verdwaald in dit beukenbos. Lang geleden geveld door de bliksem. Vroeger was hij groter. Want ik was kleiner. Ik blijf hem Baardman noemen. Sorry, Treebeard. Droevig peinzend staart hij naar zijn wortels. Droeve ogen met droeve wallen, een droeve druipsnor van mos onder een droef gebogen neus. Bezorgde rimpels in zijn hoge voorhoofd. Uit zijn ruige haardos van dode kamperfoelie groeit een ook al niet meer zo jonge, nieuwe eik omhoog. Zijn wortels kroelen in de kruin van zijn ouwe pa, vergeefs trachtend die tot minder droeve gedachten te brengen.
Met veel geplof en geflapper, tong uit de bek, komt er hijgend een hond aangestoven. Hij moet mij hebben. Hij snuffelt aan mijn laarzen, gaat zitten, kijkt me aan en steekt een poot op. Een cockerspaniël, de leukste honden die er zijn. Ik pak zijn poot en aai over zijn neus en kroel onder zijn bek. Hij likt mijn hand. Dan draait hij om en rent terug, zonder boe of ba, wiebelend met zijn malle staartje. Daar langs de weg staan zijn baasjes, een ouder echtpaar, ook met laarzen. We zwaaien en vervolgen onze wandelingen.
Dan piept even de zon door de wolken en het bos is van goud.

Mussosaurus

Je hebt als kind soms van die gedachteconstructies, waar meestal niet veel van klopt, maar die zich je hele leven onweerstaanbaar aan je blijven opdringen. Bij mij is dat iets met dino’s en vogels.
Dat komt zo: In 1958, ik was 9, kreeg ik van Sinterklaas een boek met de titel Plutonië. Een groep Russische geleerden trekt naar het Noordpoolgebied om een nog onbekend gebied te exploreren. Biologen, geologen, archeologen, zoölogen. Ze worden overvallen door een dichte mist en verdwalen. Als de mist weer optrekt blijken ze in een vreemd tropisch land te zijn met steeds primitievere planten en dieren. Uiteindelijk constateren ze dat ze in een immens grote grot beland moeten zijn, een soort midden-Aarde – het blijft warm en dampig, ze krijgen nooit de hemel te zien – en doordat ze dichter bij de aardkern zijn is de evolutie hier gestopt ten tijde van het Jura. Ze dopen het Plutonië. Eigenlijk heb ik spijt dat ik Jurassic Park niet heb gezien, maar dat was juist om de herinnering aan Plutonië niet te laten ‘overschrijven’. Ik ga het weer eens herlezen.
Kortom, ik was meteen gebiologeerd door dinosaurussen en schoof mijn obsessie voor Toetanchamon, piramides, sarcofagen en mummies opzij en plunderde de bibliotheek voor alles over dino’s. Tyrannosaurus Rex was vanzelfsprekend mijn favoriet. Ik hield wel van helden en overheersers toen.
Enfin, mijn dino’s namen zulke proporties aan dat mijn juf me maar eens aanspoorde om er een spreekbeurt over te houden, zodat ik in één keer alles kwijt zou kunnen en in ’t vervolg misschien weer bij de les kon blijven. Ik maakte tijdens handarbeid een mooie tekening en boetseerde een tyrannosaurus ter illustratie en kreeg voor mijn spreekbeurt een acht. Met de geboetseerde dino won ik de eerste prijs voor handarbeid in dat schooljaar.
Behalve tekenen en kleien deed ik ook nader onderzoek. Een bezoek aan het Zoölogisch Museum in Artis was een openbaring. Niet in de laatste plaats om hoe ik daar binnenkwam. Artis was toen al onbetaalbaar duur. Maar een neef van mij moest daarom lachen en zei: kom maar mee. Wij naar Artis. Ongeveer waar nu de parkeerplaats is, stond een hele grote treurwilg in de tuin met een dichte kruin tot op de grond. Mijn neef gaf me een kontje en we klommen over het hek. De zenuwen had ik. Zoiets brutaals had ik nog nooit geflikt. Enfin, eenmaal binnen konden we zo het museum in en bij ’t zien van de eerste schedels en skeletten hielden mijn knieën pas op met knikken.
Daar deed ik ook mijn ‘theorie’ op dat vogels eigenlijk dino’s zijn. Zelfde skelet, zelfde houding, sommige zouden inderdaad veren gehad hebben. Voor een deel heb ik natuurlijk gelijk. De dino’s die in hun evolutie gingen krimpen hadden betere overlevingskansen dan hun reusachtige soortgenoten, die er een hobby van maakten om met z’n allen uit te sterven. Uit die gekrompen sauriërs ontwikkelden zich uiteindelijk ook onze musjes. Maar dat is allemaal evolutie en daar ga ik niet over.
Toch zit ik ook nu nog vaak, zoals zoveel kinderen in Artis doen: met mijn rug naar de leeuwen geboeid naar de ruziënde mussen kijken. Kleine brutaal twitterende tyrannosaurusjes.

TwitterLogo_2cmTyrannosaurus – Passer domesticus