Tagarchief: koffie

Krant

Op tafel ligt een dichtgevouwen krant met daarop de leesbril. Ernaast staat een volle beker koffie waarop zich al een vel vormt. In zijn ogen wrijvend en met deukjes in zijn neus van die bril staat hij voor het raam. Hij piekert. Verdomme. Hij was toch zo vol goede zin wakker geworden. Plannen gemaakt onder de douche voor een flinke fietstocht, terrasje na afloop, wijntje bij het eten, cognacje in de avondschemering. Maar hier, voor het raam, met uitzicht op de zomer, is het weg. Het gaat de verkeerde kant op met de wereld. Wie met een goed humeur is opgestaan kan toch heel de wereld aan?
Heel de wereld, maar niet de krant.

Advertenties

Café / corner

Bij het koffiehuis met trendy reputatie was ik de enige bezoeker die niets deed dan van zijn koffie genieten en aan leuke dingen denken. Alle anderen waren druk met toetsen en schermpjes. Ook de bediening. Niemand sprak een woord. Er draaide vervelende muziek waar lekkende koptelefoons met andere muziek doorheen sisten. Gezellig is anders.
Aan een van de muren hing een foto van het pand in andere tijden. Café ‘Het Hoekje’ stond er toen op dit raam. Voor de deur poseerde de trotse eigenaar met grote snor en smetteloos witte voorschoot. Ik keek nog eens om me heen en nam mijn Latte-Caramel mee naar buiten in de zon.

Buiten herinnerde ik me een interview in de Volkskrant met onder andere een Berlijnse coffeeshop-eigenaar, die zijn wifi-service heeft opgedoekt en tablets en laptops uit zijn zaak verbannen. Er hangen bordjes met een rode rand en een rode streep door een mobieltje. Het is er nu weer gezellig, zei de man, er wordt weer gekletst en gelachen en geflirt. En zijn omzet groeit.
Het leek me wel wat, zo’n koffietent. Waar geen muziek gedraaid wordt. Waar geen tv is. Waar ze geen wifi hebben en waar smartphone en laptop niet welkom zijn. Waar je niet, urenlang en op één kopje koffie, jezelf in de etalage kunt parkeren en performen dat je een succesvol zzp’er bent. Waar je niet om de tien seconden gestoord word door hyper-creatieve bliepjes, klonkjes en ringtones. Waar ze niet achterdochtig naar me kijken omdat ik al langer dan een half uur niet gebeld ben. Waar niemand wil weten wat ik ‘doe’.

Café ‘Het Hoekje’. Ik begon weg te dromen. Dat is bij mij niet altijd zonder risico. Ach, zo’n café… Waar alleen een radio is en die alleen aangaat voor de voetbaluitslagen op zondagmiddag en dat dan iedereen zijn bek moet houden. Waar ze één telefoon voor klanten hebben, in de heren-wc, pal naast het urinoir, vastgeschroefd aan de muur. Waar ik gewone slappe koffie krijg, in een wit stenen kopje met een oortje op een schoteltje met voetbad, en geen fantasie-senseo met rotsjes van cacao en smarties in een kartonnen beker met een deksel met een rietje. Waar ik als vanzelfsprekend een bakje zoute pinda’s bij mijn biertje krijg. Waar ik gewoon een portie leverworst kan bestellen. Waar ik gewoon over het weer mag praten in plaats van over mezelf. Waar ik tot vervelens toe tegen iemand aan kan zeveren over mezelf. En dat die iemand dan beleefd doet alsof ie naar me luistert. Waar de gesprekken verstommen als er ‘een vouw alleen’ binnenkomt. Waar kinderen alleen komen om hun vader over te halen naar huis te komen. Waar een biljart staat met echte ballen en een keu en waar je overheen kunt hangen. Waar een leestafel is met de Leesmap met bloot-bladen.
Waar ik urenlang boven een dood biertje stom voor me uit kan zitten staren en een pakje sigaretten leegroken. Waar ik met alle andere ouwelullen mag vinden dat vroeger alles beter was en dat ze dát, wat dan ook, óns vroeger niet hoefden te flikken. Waar ik elke week aan hetzelfde tafeltje mag zitten. En als daar een onbekende zit dat die dan vriendelijk wordt weggestuurd. Waar ik elke week weer hetzelfde bestel en nooit wat anders. Waar ik me een stuk in de kraag kan drinken. Waar ik de barkeeper voor rotte vis kan uitmaken als ie daar wat van zegt. Waar ik de serveerster in haar kont mag knijpen. Waar ik elke keer dezelfde flauwe mop mag vertellen waar niemand om lachen kan. Waar ze nog een kapstok hebben waaraan ik mijn jas kan ophangen. Waar ik kan afrekenen met klinkende munt in plaats van plastic. En pas aan ’t eind van de maand. Waarna ik bij thuiskomst mijn deur niet open krijg omdat ik met mijn sikkere kop de jas van een ander heb aangetrokken.

Ah, zó’n café?
Nou ja, dat nou ook weer niet.

De schilders

Verf gepakt
Kwast gepakt
Praatje gemaakt
Sigaretje gerookt
Koffie gedronken
Kozijntje doen
Kozijntje gedaan
Koffie

Koffie gedaan
Sigaretje gedaan
Praatje gemaakt
Kozijntje doen
Kozijntje gedaan
Schaften

Bammetje op
Sigaretje op
Praatje gemaakt
Kozijntje doen
Kozijntje gedaan
Thee

Thee gedronken
Sigaretje gerookt
Praatje gemaakt
Kozijntje doen
Kozijntje gedaan
Afnokken

Geen siga…?
Afnokken

Op handen gedragen

Een vroeg ochtendzonnetje. Ik zit met een kop koffie in het open raam op de vensterbank. Beneden op straat komt een stel de straat in lopen.
Hij draagt haar in zijn armen! Behalve op stranden in lifestylebladen zie je dat niet vaak meer. De romanticus in mij slaat op hol. ‘Wat? Mijn Vrouwe, lopen? Geen sprake van. Lopen is voor minvermogenden. Gij zijt mijn Koningin en het is mijn plicht en een groot voorrecht Uw blanke Voeten verre te houden van het plat plaveisel van het plebs. Tot het einde van de regenboog!’
Maar hij zet haar neer. Heel voorzichtig, dat wel. Dan staat ze op één been met een vertrokken gezichtje om zich heen te kijken van: wat nu? Hangend aan zijn schouder hinkelt ze naast hem voort, zijn Koningin, met een akelig gezwollen enkel. Haar slippers steken uit zijn achterzak. Na een tiental meters tilt hij haar weer op en ze verdwijnen om de volgende hoek.
Zo gaan ze – ik weet het zeker – helemaal naar de Andere Zijde van de Stad, waar een Hospitaal is. Met niets anders dan Elkander. Zelfs geen ezeltje…
Wat moet het toch heerlijk zijn zó vrouw te zijn. Zonder zo’n enkel. Maar mét zo’n kerel! Slash zo’n wijf!

ophandengedragen

Wortels

‘Je kunt een boom verplaatsen, maar zonder wortels wordt hij ziek en gaat hij dood.’  Woorden van een Russische immigrante in Nederland, uit een aflevering van Het Beloofde Land van Abdelkader Benali, die zelf de ‘wortels’ nog aanvulde met de ‘kluit’. Het cliché-karakter van de tekst werd volkomen tenietgedaan door een prachtig shot van de ogen van de vrouw, toen ze vertelde over die vernietigende sociaal-maatschappelijke en economische ramp met die mooie naam: Peresjtroika.
Enfin, ze leerde een Nederlandse man kennen, ze trouwden, zijn hier in Nederland komen wonen en hebben een leuk gezin gesticht. Ze is, destijds nog zonder inburgeringsplicht, volledig geïntegreerd, spreekt vloeiend Nederlands en – niet onbelangrijk – kan zich evengoed een trotse Russin voelen. In de rug gesteund door de bij het uitgraven in Russische bodem achtergebleven haarwortels (familie, vrienden, buren, herinneringen) die haar helpen hier een Jantje-van-alles-achtig warenhuisje te bevoorraden: gebruiksvoorwerpen, keukenspullen, speelgoed, textiel, gerookt vlees, blikvoer, wodka, veel muziek en veel, heel veel boeken. Kasten vol. ‘Jaja, Russen en boeken, haha.’ De winkel is uitgegroeid tot een soort Praathuis waar Russische immigranten en een groeiend aantal Nederlanders, bij een bak koffie uit de samowar, roddels en nieuws uitwisselen.
Deze kleine nering is de kluit waarin haar wortels houvast vonden in een andere cultuur. Waardoor ze, zonder verlies of miskenning van identiteit, kon aarden in Nederlandse bodem. Een Nederlandse vrouw, een Russische soul.

Gewoon, met behoud van eigen cultuur en identiteit, kennismaken met je nieuwe omgeving, de taal leren in je eigen tempo. Aarden. Waarom mag dat nu niet meer? Omdat wij, kiezers, na de verkiezingen geen poot meer uitsteken en achtereenvolgende Kabinetten hun ding laten doen. Onder het mom van een aangepaste interpretatie van nog zo’n mooi woord: VOC-mentaliteit.